Hoofdlijnenakkoord CAO Onderzoekinstellingen 2003 – 2004
De WVOI namens de onderzoekinstellingen enerzijds en ABVAKABO FNV, AC/AFZ, CNV Publieke Zaak, CMHF namens organisaties van werknemers anderzijds, hierna te noemen partijen, hebben op 24 november 2004 de volgende afspraken gemaakt over de ontwikkeling van de arbeidsvoorwaarden in het kader van de verlenging van de CAO Onderzoekinstellingen. Partijen zullen dit akkoord voorleggen aan hun achterban.
Uiterlijk 12 december 2003 zullen partijen vaststellen of onderhavig hoofdlijnenakkoord kan worden omgezet in een definitief akkoord. Over de uitwerking van een aantal van de navolgende afspraken in een aanvullende CAO-tekst zal tussen partijen nader overleg plaatsvinden.
• De uitwerking van de afspraken zal erop zijn gericht dat op uiterlijk 1 februari 2004 de aanvullende CAO-tekst voor alle medewerkers en instellingen beschikbaar is.
1. Preambule
Vanwege de economische tegenwind die ook zijn weerslag heeft gekregen in het Najaarsakkoord 2003 dat Kabinet en Sociale partners in oktober 2003 hebben afgesloten, zijn werkgevers genoodzaakt in het kader van deze verlenging van de lopende CAO sobere generieke loonafspraken te maken. Hier staat tegenover dat voor de onderzoekers in opleiding een aanzienlijke salarisverbetering overeen is gekomen. Deze afspraak geldt voor één categorie personeelsleden, maar doet een beroep op de solidariteit van allen.
Er van uitgaande dat de KNAW per 1 januari 2004 volger wordt van de CAO-NU, is het volgende afgesproken:
Alle effecten van de CAO-OI die ingaan op of na 1 januari 2004 zijn niet van toepassing op de werknemers van de KNAW.
2. Looptijd
De verlenging van de CAO OI gaat in op 1 oktober 2003 en eindigt op 31 december 2004.
3. Inkomensontwikkeling
Partijen komen overeen om per december 2003 de bestaande structurele eindejaarsuitkering van 3% structureel met 1,1% te verhogen tot 4,1% van het jaarsalaris. Voor de eindejaarsuitkering is een bodem afgesproken van € 1000,- bij een fulltime dienstverband.
Deze bodem in de eindejaarsuitkering geldt eerst per 1 januari 2005 voor Onderzoekers in Opleiding. De structurele eindejaarsuitkering werkt door in de pensioenen en uitkeringen.
Voor 2004 is een indexering van de tegemoetkoming in de particuliere ziektekostenverzekering overeengekomen gerelateerd aan de gemiddelde premiestijging, berekend volgens de bepaling in de ZKOI hieromtrent. Wanneer de gemiddelde premiestijging over 2004 minder dan 10% bedraagt wordt de tegemoetkoming conform dat percentage geïndexeerd. Indien dit percentage 10% of meer is zal de compensatie 80% van de premiestijging bedragen.
De ziekenfondsverzekerden ontvangen in verband met de stijgende premies per 1 januari 2004 een tegemoetkoming van € 10 netto per maand.
Bij een deeltijddienst-verband of een dienstverband gedurende een deel van het jaar worden zowel de eindejaarsuitkering als de -beide vormen van- tegemoetkomingen in de ziektekosten naar rato toegekend.
4. Aanpassing salarissen van Onderzoekers in opleiding
Partijen zijn overeengekomen het salaris en het ingroeipad voor de Onderzoekers in Opleiding (OIO) in lijn te brengen met de afspraken over salaris en ingroeipad van de promovendi die onder de CAO Nederlandse Universiteiten vallen. Dit betekent een aanzienlijke verhoging van het OIO-salaris.
Vanaf 1 oktober 2003 geldt een ingroeipad, zoals opgenomen in de onderstaande tabel. Het eindbeeld wordt bereikt op 1 oktober 2005. Dit is de laatste kolom van onderstaande tabel.
De eerstejaars OIO wordt ingedeeld in trede 1, de tweedejaars OIO in trede 2 enzovoort..Het salaris van de OIO is gemaximeerd op trede 4 van de hieronder weergegeven tabel.
De OIO schaal wordt als volgt aangepast:
|
1/10 2003 |
1/10 2004 |
1/10 2005 |
Oio-1 |
1668 |
1777 |
1837 |
Oio-2 |
1777 |
1837 |
2143 |
Oio-3 |
1933 |
2143 |
2244 |
Oio-4 |
2244 |
2244 |
2353 |
• Invulling ingroeipad & overgangsbepaling
OIO´s die op 30 september 2003 in dienst van een werkgever zijn en voor wie de periodiekdatum niet op 1 oktober ligt, worden op 1 oktober 2003 ´horizontaal´ ingeschaald in de nieuwe salarisschaal. Voor deze zittende OIO´s wordt de periodiekdatum gesteld op 1 oktober, waarbij de eerstvolgende periodieke verhoging wordt toegekend per 1 oktober 2004.
• Periodieke verhoging bij voldoende functioneren
Overeenkomstig artikel 12.3 lid 4. CAO-OI wordt het salaris van de OIO periodiek verhoogd tot het naast hogere bedrag van de OIO-schaal, tenzij de OIO naar het oordeel van de werkgever zijn functie niet naar behoren vervult. In dat geval is artikel 3.5,lid 3 van de CAO-OI onverkort van toepassing (onthouden periodieke salarisverhoging).
• Afschaffing specifieke OIO-regelingen
In verband met de aanzienlijke verhoging van de OIO-salarissen ligt het in de rede om vergoedings- en beloningsregelingen voor deze specifieke categorie werknemers af te schaffen. Partijen komen overeen de op 30 september 2003 specifiek voor de categorie OIO´s bestaande collectieve en individuele belonings- en vergoedingsregelingen, met uitzondering van de tegemoetkoming in de drukkosten voor proefschriften, per 1 oktober 2003 af te schaffen.
• Compensatie eventuele inkomensachteruitgang
OIO´s die op 30 september 2003 in dienst van een WVOI-werkgever zijn en die als gevolg van het overeengekomen ingroeitraject en als gevolg van de afschaffing van bestaande belonings- en vergoedingsregelingen, er in hun inkomen op achteruit gaan, worden voor het verschil volledig gecompenseerd.
5. Intellectuele eigendom
Partijen zijn een regeling Intellectuele Eigendom overeengekomen waarin is bepaald dat alle intellectuele eigendomsrechten op de in de regeling nader omschreven producten berusten bij de werkgever overeenkomstig de wettelijke bepalingen. De werkgever kan de intellectuele eigendomsrechten overdragen aan derden en/of de werknemer. In geval van Auteursrecht draagt de werkgever, uiterlijk een jaar na melding door de werknemer van een feitelijk door hem vervaardigd werk, de auteursrechten aan de betreffende werknemer over, tenzij de werkgever zich de rechten gemotiveerd voorbehoudt.
De regeling Intellectuele Eigendom OI wordt per 1 oktober 2003 van kracht en maakt integraal onderdeel uit van de CAO OI.
6. Vereenvoudiging verlofstelsel
Partijen spreken af een volgende stap te zetten in de vereenvoudiging van het verlofstelsel door het als kunstmatig ervaren onderscheid tussen ADV-dagen en vakantiedagen te laten vervallen. Partijen zullen hiertoe vóór het eind van het jaar in de paritaire commissie secundaire arbeidsvoorwaarden en rechtspositie een voorstel uitwerken, waarbij het streven is deze wijziging op 1 januari 2004 van kracht te laten worden.
7. Aanpassing Overlegprotocol WVOI – Centrales van overheidspersoneel (Bijlage 4 CAO-OI)
Ook ten aanzien van het overlegprotocol tussen de WVOI en de werknemersorganisaties hebben partijen een aantal vereenvoudigingen afgesproken. Daarbij is een van de uitgangs-punten dat in de CAO OI de arbeidsvoorwaarden zoveel mogelijk worden geharmoniseerd en dat daarmee de positie van het lokaal overleg wordt begrensd.
Naar de mening van partijen wordt aldus recht gedaan aan een al langer durende ontwikkeling dat de rol van het overleg met werknemersorganisaties op instellingsniveau is afgenomen ten gunste van het overleg op WVOI-niveau.
Ook is de tekst van het protocol op onderdelen verduidelijkt. Vanaf 1 oktober 2003 zal volgens het aangepaste overlegprotocol worden gewerkt.
8. Gesubsidieerde arbeid (WIW- en I-/D-banen)
Werkgevers en werknemersorganisaties delen de intentie het aantal gesubsidieerde arbeidsplaatsen waar mogelijk uit te breiden. Werkgevers onderzoeken gedurende de looptijd van deze CAO, in overleg met hun ondernemingsraden, de mogelijkheden hiertoe. Zij brengen voorafgaand aan de volgende CAO-onderhandelingen verslag uit over het resultaat van hun overleg met de ondernemingsraden. Indien de verslaglegging van de werkgevers hiertoe aanleiding geeft, zullen werknemersorganisaties nadere voorstellen doen om ervoor zorg te dragen dat het aantal gesubsidieerde arbeidsplaatsen op voldoende niveau komt.
9. Levensloopregeling
Partijen spreken af dat gedurende de contractperiode onderzoek zal worden gedaan naar de mogelijkheden van een levensloopregeling binnen de CAO OI. Dit onderzoek zal worden uitgevoerd door de commissie secundaire arbeidsvoorwaarden en rechtspositie.
10. Seniorenregeling
Partijen hebben de Seniorenregeling Onderzoekinstellingen met ingang van 1 oktober 2003 verlengd tot 1 januari 2005, de datum waarop de verlengde CAO-OI afloopt. Partijen hebben deze verlenging aangegrepen om de regeling op enkele onderdelen te verbeteren.
Zo is de mogelijkheid gecreëerd om de werktijd met minimaal 5% en maximaal 40% stapsgewijs af te bouwen.
De werknemer met een FPU-spilleeftijd van 61 jaar die een FPU-uitkering van 100% van het laatstverdiende salaris kan opbouwen, is, indien hij gebruik maakt van de SROI, op het moment dat die 100% opbouw is bereikt, verplicht om met FPU te gaan voor het gedeelte dat hij door gebruikmaking van de SROI, minder is gaan werken, ook als dat minder dan 20% van het oorspronkelijke dienstverband is.
De werknemer met een spilleeftijd van 62 jaar die vanaf zijn 57e jaar wil instappen in de Seniorenregeling en daarom 5 jaar van het saldo seniorendagen van 416 gebruik zou moeten maken, mag zijn werktijd per week gedurende het eerste jaar, terugbrengen door 'op maat' zijn vakantieverlof in te zetten. Hiermee wordt voorkomen dat de werknemer per de startdatum al direct het saldo seniorendagen moet aanspreken.
Deze drie afspraken gelden voor werknemers die na 1 oktober 2003 gebruik gaan maken van de seniorenregeling.
Gezien de afspraken van Kabinet en sociale partners in het Najaarsakkoord 2003 terzake de invoering per 1 januari 2006 van fiscale faciliëring van VUT/prépensioen en levensloop, waarover vóór april 2004 overeenstemming moet zijn bereikt, hebben partijen in het kader van deze Seniorenregeling de volgende afspraak gemaakt. Indien uit de hiervoor genoemde centrale besluitvorming ingrijpende wijzigingen volgen voor werknemers van de Onderzoekinstellingen zal in paritair verband worden bezien op welke wijze de Seniorenregeling OI zal worden aangepast.
Tot slot zijn partijen een “hardheidsclausule seniorenregeling” overeengekomen waarin is bepaald dat in bijzondere gevallen van de seniorenregeling kan worden afgeweken ten gunste van de werknemer, ingeval naar het oordeel van de werkgever de regeling niet voorziet in bijzondere omstandigheden van het individuele geval.
11. Versnelde pensioenopbouw bij invoering middelloonstelsel
Met het oog op de invoering bij het ABP van een systeem van middelloon in plaats van eindloon, dat ongunstig blijkt te zijn voor de pensioenopbouw van werknemers die op latere leeftijd hun maximale salaris bereiken, hebben partijen het volgende afgesproken.
Zodra er een centraal pensioenakkoord is, zal de commissie Sociale Zekerheid en functiewaardering de mogelijkheden onderzoeken van een versnelde opbouw van pensioen. Over de uitkomsten van dit onderzoek zal de commissie rapporteren aan de CAO-tafel. Op grond van die rapportage zullen CAO-partijen zonodig nadere afspraken maken.
12. Pensioenopbouw bij demotie
Partijen hebben besloten terzake pensioenopbouw bij demotie de volgende tekst in de CAO-OI op te nemen:
Werknemers vanaf 55 jaar en ouder die vrijwillig, met toestemming van de werkgever, kiezen voor demotie, kunnen gebruik maken van de mogelijkheid die het ABP biedt om hun pensioenopbouw te continueren op het niveau van het salaris behorend bij de oude functie.
13. POP-gesprekken
In de CAO-OI 2002-2003 zijn partijen overeengekomen dat elke werkgever binnen de WVOI uiterlijk in december 2003 zal starten met de invoering van Persoonlijke Ontwikkelingsplannen (POP). Het streven is erop gericht dat uiterlijk 1 januari 2005 met 75% en uiterlijk 1 januari 2006 met 100% van de werknemers (met uitzondering van projectmedewerkers NWO) een Persoonlijk Ontwikkelingsplan is afgesproken. Werkgevers zullen van de vorderingen verslag doen in hun Sociaal Jaarverslag en zullen de werknemersorganisaties jaarlijks informeren over de realisering van bovenstaande kwantitatieve doelstelling. In 2006 worden de ervaringen met POP geëvalueerd.
In het kader van de verlenging van de CAO-OI is afgesproken dat werknemersorganisaties bij bovengenoemde evaluatie specifiek kijken naar werknemers met tijdelijke dienstverbanden en, afhankelijk van de uitkomsten van de evaluatie, nadere voorstellen zullen doen in het licht van het aanstellingsbeleid en de Wet flexibiliteit en zekerheid.
14. Functiewaardering
Partijen hebben op 1 juli 2003 overeenstemming bereikt over het nieuwe functiewaarderingssysteem en over de invoeringsdatum van 1 juli 2003. Alle functies in de organisatie zullen worden ingedeeld met behulp van de nieuwe functiewaarderingssystematiek. Bij indeling van de functie in een hogere schaal is 1 april 2003 de datum van de van krachtwording van het nieuwe systeem. De beloning wordt met terugwerkende kracht tot die datum vastgesteld. Deze terugwerkende krachtbepaling geldt tevens voor medewerkers die wegens arbeidsongeschiktheid, FPU, of pensioen uit dienst zijn getreden. Indien lagere functiewaarden worden vastge-steld zal dit geen consequenties hebben voor het eerder geboden salarisperspectief van de werknemer.
Partijen hebben afgesproken dat invoering van de FNM uiterlijk 1 juli 2005 dient te zijn afgerond. Deze termijn kan in overleg met de ondernemingsraad met maximaal zes maanden worden verlengd. Over de wijze van invoering wordt door werkgevers overlegd met de OR binnen de kaders, die vertegenwoordigers van partijen in de paritaire stuurgroep functiewaardering op 13 mei 2003 zijn overeengekomen.
Partijen hebben een bezwarenregeling functiewaardering FNM voor de Onderzoekinstellingen vastgesteld.
Verder hebben partijen afgesproken dat er een paritair samengestelde bezwaaradviescommissie op WVOI-niveau wordt ingesteld met een onafhankelijke voorzitter. Deze commissie brengt een unaniem advies uit. De werkgever neemt het advies van de commissie over tenzij redelijkheid en billijkheid zich daartegen verzetten.
De bezwaaradviescommissie wordt ingesteld voor de duur van de invoeringsperiode. Per 1 januari 2006 wordt het functioneren van de adviescommissie geëvalueerd. Alsdan zal door partijen een besluit worden genomen over het al dan niet voortzetten van deze commissie.
15. Nadere afspraken
Partijen streven ernaar om, in lijn met de afspraken van het STARakkoord, ten aanzien van de punten 'afschaffen vervolguitkering WW', 'bezoldiging in het 2e ziektejaar' alsmede de als gevolg van het belastingplan 2004 noodzakelijk geworden 'aanpassing van het AVOM-reiskostendoel', afspraken te maken die per 1 januari 2004 ingaan.
16. Positie KNAW
De afspraken van het hoofdlijnenakkoord gelden voor de KNAW tot het beoogde moment van overgang, 1 januari 2004, naar het volgerschap van de CAO-NU, met uitzondering van de hieronder genoemde regelingen.
Ervan uitgaande dat een akkoord bereikt zal worden over de overgang van de KNAW van CAO-OI naar CAO-NU zullen de regelingen over FNM, de regeling intellectueel eigendom, het overlegprotocol en de seniorenregeling bij de KNAW (nog) niet in werking treden. In plaats daarvan gelden de regelingen die op 30 september 2003 van kracht waren.
De functieprofielen van FNM zullen wel door de KNAW als basis voor implementatie van het Functiewaarderingssysteem van de universiteiten worden gebruikt.
Mocht het beoogde moment van overgang niet worden gehaald, dan treden KNAW en WNO's hierover in overleg.
Aldus door CAO-partijen overeengekomen te Utrecht, 24 november 2003
ABVAKABO FNV A. Vink
AC/AFZ mw. mr. J. Lubking
CMHF mw. drs. C. Timpers
CNV Publieke Zaak W.J. Berg
WVOI dr.ir. B.M Geerken
|