NOWT: Nederlandse wetenschap raakt achterop
Te lage uitgaven, te weinig onderzoekers
7 april 2010 – Een positie in de top van de internationale wetenschap, dat is wat de Nederlandse politiek en de Nederlandse wetenschappelijke instellingen zeggen te ambiëren. Maar hoewel uit internationale vergelijkingen blijkt dat de Nederlandse wetenschappers prima presteren, verliest de Nederlandse wetenschap in zijn totaliteit terrein. Uit een rapport van het NOWT blijkt dat eens te meer. Nederland geeft te weinig uit aan onderzoek en heeft ook te weinig onderzoekers en hoogopgeleiden om de ambities waar te kunnen maken.
“Een internationaal hoogwaardige kennisbasis”, zo formuleerden vorig jaar de ministeries van OCW en Economische Zaken * als doel voor Nederland in 2020. Dan moet onder meer minstens 1% van het Bruto Binnenlands Product (BBP) worden besteed aan publieke R&D-investeringen, moet minstens 50% van de beroepsbevolking tussen de 25 en 45 jaar hoger opgeleid zijn, moeten minstens drie Nederlandse universiteiten tot de wereldtop behoren en de Nederlandse citatie-impact tot de mondiale top-3.
Het rapport Wetenschaps- en Technologie-Indicatoren 2010 van het Nederlands Observatorium van Wetenschap en Technologie ** geeft weinig reden om optmistisch te zijn over de haalbaarheid van deze doelstellingen.
Lage uitgaven
De R&D-uitgaven zijn in Nederland in de periode 2003 – 2007 gestegen van ruim 8,3 naar ruim 9,6 miljard euro. Die stijging komt voor meer dan driekwart voor rekening van het bedrijfsleven (van 4,8 naar 5,8 miljard). De overheidsuitgaven gingen in die vijf jaar met nog geen 0,3 miljard omhoog (van 3,55 naar ruim 3,8). In termen van het BBP daalden de uitgaven: van 1,76 naar 1,71%. Bij het bedrijfsleven was er een lichte stijging, namelijk van 1,01 naar 1,03% van het BBP. Maar de overheidsuitgaven liepen terug van 0,75 naar 0,68% van het BBP.
Een verbetering op korte termijn is niet waarschijnlijk. Integendeel: vanwege de crisis houden bedrijfsleven en overheid de hand meer op de knip.
Onder de rijkere landen zat Nederland al laag, en met uitzondering van Canada, Frankrijk en België voerden andere landen hun R&D-uitgaven als percentage van hun BBP juist op. De meeste ‘concurrenten’ geven 2,5 tot ruim 3% van hun Bruto Binnenlands Product aan onderzoek uit.
Weinig onderzoekers
Het wekt gezien de lage researchuitgaven geen verwondering dat Nederland ook heel slecht scoort waar het gaat om het aantal onderzoekers in de beroepsbevolking: 10,4 medewerkers per 1.000 werkzame personen in 2007. Dat was nog een fractie minder dan vijf jaar eerder. Van de sterkere economieën hebben naar verhouding alleen Ierland en (vooral) China minder kenniswerkers, al is daar wel een toename te zien. Vooral Japan en de Scandinavische landen tellen veel meer onderzoekers: anderhalf tot ruim twee keer zoveel per 1.000 werkzame personen dan Nederland.
Van de onderzoekers in Nederland is ongeveer 54% in dienst van bedrijven en 46% in dienst van wetenschapsinstellingen. Er is een lichte groei van het aantal onderzoekers bij de universiteiten, voornamelijk door de toename van contractonderzoek (derde geldstroom).
Ook het aantal hoger opgeleiden is in Nederland met zo’n 30% van de beroepsbevolking relatief laag. Op dit vlak zijn wel positieve ontwikkelingen te zien. Het aantal universitair geslaagden (doctoraal/WO-master) steeg sinds 2001/2002 met 43%, het aantal promoties sinds 2002/2003 met 25%. Ondanks een inhaalslag is in technische- en natuurwetenschappen het aantal geslaagden in Nederland nog steeds bijzonder laag. Opmerkelijk is dat het aantal vrouwelijke gepromoveerden bij wiskunde, informatica en de natuurwetenschappen is afgenomen, tegen de algemene trend in.
Het percentage vrouwelijke onderzoekers bij wetenschappelijke instellingen neemt toe, langzaam maar gestaag. Onder studenten zijn vrouwen in de meerderheid, onder promovendi blijft het percentage vrouwen al enkele jaren ruim 40%. Er is nog een aanzienlijk potentieel niet aangesproken. Dat geldt vooral in het bedrijfsleven, waar slechts 7% van de onderzoekers vrouw is (cijfers 2007). Dat was in 2005 nog 10%!
7% is lager dan waar ook in de rijkere wereld. In de meeste landen ligt het percentage rond de 20. De ondervertegenwoordiging in Nederland van vrouwen bij natuur en techniek verklaart een deel van het verschil.
Topprestaties
Gemeten naar publicaties in internationale technische en wetenschappelijke tijdschriften presteren Nederlandse wetenschappers uitstekend. Veel beter dan op grond van het bevolkingsaantal zou kunnen worden verwacht, mondiale top-5 in relatie tot de R&D-uitgaven, vierde op de wereldranglijst van citatie-impact (achter de VS, Zwitserland en ook Denemarken, dat ons net voorbij is gestreefd).
Vooral in de bèta-richtingen doen Nederlandse wetenschappers het heel goed, bij medicijnen en sociale wetenschappen wat minder, zij het niet slecht.
Op alle universiteiten is het aantal internationale publicaties de laatste tien jaar beduidend gestegen, met tot wel 50%. De relatief sterkste toenames waren te zien in Tilburg en Maastricht, op de Erasmus en de VU.
Het NOWT-rapport maakt een duidelijke correlatie tussen onderzoekscapaciteit en publicatie-output zichtbaar. Meer WP in Rotterdam, Tilburg, Maastricht en Twente ging gepaard met aanzienlijk meer publicaties; krimp in Leiden en Wageningen met achterblijvende groei van het aantal publicaties. De invloed lijkt sterker dan de percentuele groei en krimp in WP op zich zou kunnen verklaren. Wellicht speelt ook een ‘werkklimaat’-effect mee.
Bij de internationale citatie-impact is het beeld sterk wisselend. Wageningen en Nijmegen zijn hier de grootste stijgers, Rotterdam en Eindhoven leveren in, maar scoren nog steeds uitstekend. Veel universiteiten schommelen wat heen en weer, Universiteit Twente heeft een flinke tik gehad, maar toont enig herstel.
Bij internationale samenwerking zijn er signalen dat de Nederlandse positie afbrokkelt. Er zijn minder publicaties met een Nederlander als eerste auteur, terwijl publicaties met een Nederlandse eerste auteur minder goed worden geciteerd.
Op het punt van octrooien doet Nederland het als geheel goed. Dit is vooral te danken aan Philips en TNO.
Samenwerking
Krachtenbundelingen lijken belangrijke schaalvoordelen te bieden. Enkele grote instituten en interuniversitaire samenwerkingsverbanden blijken een goede citatie-impact te genereren.
Uit het NOWT-rapport komt naar voren dat er kansen blijven liggen op het gebied van publiek-private samenwerking. Van samenwerking tussen wetenschappelijke instellingen en innovatieve bedrijven is weinig sprake. De ‘kennistransferbureaus’ van een reeks instellingen scoren minder dan hun tegenhangers in andere Europese landen, vooral in de ‘start-ups’ van nieuwe ondernemingen.
* Naar een robuuste kenniseconomie, Kamerstuk 27406-153, 15 september 2009
** Januari 2010, in opdracht van het ministerie van OCW
|