VAWO Vakbond voor de wetenschap

Berenschot-rapport: universiteiten zitten

met hun overhead in de middenmoot

In opdracht van de VSNU en de HBO-raad heeft bureau Berenschot een onderzoek gedaan naar de overhead in het hoger onderwijs *). Binnen de definitie die Berenschot voor ‘zuivere overhead’ hanteert, vallen ongeveer een kwart van de functies bij zowel universiteiten als hogescholen. Dat komt neer op een middenmootpositie in de collectieve sector. Niet meegerekend zijn hierbij functies op het gebied van onderwijs- en onderzoekondersteuning.

 

Berenschot omschrijft overhead als die functies die tot doel hebben de organisatie te sturen en het primaire proces te ondersteunen. Deze functies staan niet rechtstreeks ten dienste van ‘de klant’.

Als meeteenheid gebruikt Berenschot feitelijk bezette formatieplaatsen. Die vormen de belangrijkste kostenpost, weerspiegelen vrij goed de overige kosten en maken een eenduidige meting mogelijk, zo stelt het bureau. Dit betekent dat uitbestede taken niet worden meegerekend, maar volgens Berenschot speelt uitbesteding op sectorniveau geen rol van betekenis in de onderzochte sectoren.

De berekeningen zijn uitgevoerd op basis van door Berenschot geverifieerde informatie uit de personeelsinformatiesystemen van de VSNU en de HBO-raad. De cijfers zijn vergeleken met gegevens uit benchmarkonderzoek naar de overhead bij 950 publieke organisaties, dat het bureau sinds 2002 heeft verricht.

Onderscheid

Om een vergelijking met andere sectoren te kunnen maken, hanteert Berenschot een onderscheid tussen ‘zuivere overhead’ en (sectorspecifieke) ‘overhead in ruime zin’.

Tot de zuivere overhead worden gerekend: (1) bestuur en lijnmanagement, (2) P&O, (3) financiën en control, (4) informatisering en automatisering, (5) marketing en communicatie, (6) facilitaire zaken, (7) juridische zaken en (8) secretariaten.

De overhead in ruime zin in het onderwijs is onderwijs- en onderzoekondersteuning.

Bij de universiteiten valt 25,3% van de fte’s in de categorie zuivere overhead (de verschillen tussen de universiteiten zijn daarbij klein). Bij de hogescholen gaat het om 24,5% van de fte’s.

Met deze scores zit het hoger onderwijs in de middenmoot van de collectieve sector. De zuivere overhead is daar het omvangrijkst bij ministeries (44,5%) en gemeenten (35%). Woningcorporaties komen uit op 29,7%.

Minder zuivere overhead is er in de geestelijke gezondheidszorg (21,3%), het voortgezet onderwijs (18,7%), welzijnsorganisaties (16,3%), verpleging en verzorging (13,9%) en de gehandicaptenzorg (13,4%).

Berenschot noemt als voorbeelden van de sectorspecifieke overheadfuncties in het hoger onderwijs studentenadministratie, decanen, bibliotheekmedewerkers en studentpsychologen. 9,8% van de fte’s bij de universiteiten betreffen dergelijke functies, tegen 11,2% bij de hogescholen (en bijvoorbeeld 6,1% in het voortgezet onderwijs).

Berenschot spreekt geen oordeel uit over de omvang van de overhead in het hoger onderwijs. Daarvoor zou nader onderzoek per instelling nodig zijn, waarbij overheadfuncties ook zouden moeten worden beoordeeld op wat zij toevoegen.

 

*) M.P.M. Huijben, M.P.P. van Rosmalen (2007): “Rapportage benchmark overhead universiteiten en hogescholen”, Berenschot, Utrecht, i.s.m. VSNU en HBO-raad