VAWO Vakbond voor de wetenschap

SEO-onderzoek bevestigt: op de markt is

een wetenschapper veel meer waard

Recent onderzoek bevestigt andermaal dat wetenschappers in de marktsector veel meer kunnen verdienen dan bij een universiteit of onderzoekinstelling. Vooral een mannelijke wetenschapper van rond de 50 is op de markt veel beter af. Bij de academische ziekenhuizen is het verhaal iets gunstiger, voor vrouwelijke wetenschappers is het gecompliceerder.

 

Tot 1982 waren de lonen in de collectieve sector gekoppeld aan die in de marktsector, wat in de praktijk betekende dat zij er over het algemeen iets bij achterbleven. In sommige collectieve subsectoren zijn de beloningsachterstanden na het loslaten van de koppeling scherp toegenomen. Dat geldt met name voor alle onderwijsssectoren.

Daarbij spant het WO de kroon. Dat kwam al naar voren uit het rapport van de Commissie Van Rijn over 1997 en werd bevestigd door onderzoek over 2001 door SEO (Stichting voor Economisch Onderzoek der Universiteit van Amsterdam). Eind 2006 rapporteerde SEO over 2004. Het onderzoek werd verricht in opdracht van Binnenlandse Zaken. *)

SEO kijkt naar het bruto uurloon (exclusief overwerk, inclusief eenmalige beloningen), zodat verschillen in de duur van de werkweek worden geëlimineerd. Vervolgens worden de beloningsverschillen gecorrigeerd voor verschillen in de samenstelling van de werknemerspopulaties (geslacht, leeftijd, opleidingsniveau, etniciteit, niveau en soort beroep, soort dienstverband, regelmatige/onregelmatige dienst, organisatiegrootte). In de collectieve sector werken meer vrouwen, de werknemers zijn er gemiddeld ouder, hoger opgeleid enzovoort.

Grote verschillen

Zo ligt het gemiddelde bruto uurloon in de collectieve sector weliswaar hoger dan in de marktsector, maar resulteert na de correcties een beloningsachterstand van 1,6%. Dat is niet spectaculair, maar tussen de collectieve subsectoren bestaan grote verschillen.

De gemiddelde beloningsachterstand in het WO bedraagt 15,7%. Duidelijk in de min zitten ook het primair onderwijs (–10,2%), het voortgezet onderwijs (–14,1%), de BVE-sector (–9,3%), het HBO (–9,1%) en buiten het onderwijs het burgerpersoneel bij Defensie (–15,0%). Goed af in de collectieve sector, althans gemiddeld, zijn militairen (+34,5%) en het personeel bij de rechterlijke macht (+16,4%) en van de academische ziekenhuizen (+9,5%).

Onderlinge vergelijking van deze percentages gaat overigens niet op. Het gaat om het verschil per deelsector met een marktpopulatie van dezelfde samenstelling. Zo zijn militairen veelal jonge, laag opgeleide mannen. Hun relatief hoge bruto uurloon wordt afgezet tegen dat van jonge, laag opgeleide mannen in de marktsector. In het primair onderwijs werken juist veel vrouwen, in het WO veel ouderen met een hoge opleiding, et cetera. Hun beloning wordt dus afgezet tegen een andere marktpopulatie dan die van de militairen.

Gemaskeerd

Met de globale cijfers is lang niet alles gezegd. In voltijdsbanen verdienen vrouwen in de collectieve sector gemiddeld 4% meer dan in de marktsector. Mannen daarentegen 7% minder. Dat komt doordat vrouwen in de marktsector een aanzienlijke beloningsachterstand hebben op mannen met een vergelijkbaar profiel. De meer gelijke behandeling naar geslacht in de collectieve sector maskeert voor een deel de beloningsachterstand op de marktsector, constateert SEO.

Binnen het WO heeft iedereen een beloningsachterstand op de markt. Daarbij geldt de algemene trend dat de achterstand toeneemt met het opleidingsniveau, en voorts met de leeftijd tot ongeveer 40 (vrouwen) of 50 jaar (mannen). Een 50-jarige mannelijke wetenschapper zou marktconform 35% bruto meer verdienen.

Verder hebben deeltijdwerkers over de hele linie een grotere betalingsachterstand ten opzichte van de markt dan fulltimers.

Sommigen beter af

Bij de academische ziekenhuizen worden jongeren en lager opgeleiden beter betaald dan zij op de markt zouden worden. Ook vrouwen zijn hier vrij goed af, met uitzondering van de middelbare vrouwelijke wetenschapper. De oudere mannelijke wetenschapper legt bij de academische ziekenhuizen het meest toe.

Ook in andere publieke sectoren komen wetenschappelijk opgeleiden er relatief slecht vanaf, ouderen meer dan jongeren, mannen meer dan vrouwen.

 

*) E. Berkhout, A. Heyma en W. Salverda (2006): “Beloningsverschillen tussen de marktsector en collectieve sector in 2004”, SEO-rapport 889, Den Haag: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.