Wetenschap in Nederland: kwaliteit op een koopje
Het VAWO-symposion van 18 november 2008
De geldstromen in het wetenschappelijk onderwijs en de positie van NWO waren de thema’s van het VAWO-symposion, dat op 18 november jl. in de Utrechtse universiteitsbibliotheek werd gehouden. Conclusie: de Nederlandse wetenschap komt er al jaren bekaaid vanaf. Dat gaat vooral ten koste van de wetenschappers. Niet van de kwaliteit van het werk. Nog niet, tenminste.
Als eerste inleider gaf dhr. J.C.M. Jansen van de directie Hoger Onderwijs & Studiefinanciering van het ministerie van OCW een schets van de geldstromen in het WO. Nederland haalt de ‘Lissabon-norm’ voor investeringen in onderzoek niet. Lang niet. Nederland komt uit op circa 1,7% van het Bruto Binnenlands Product (BBP), waar dat volgens de in Lissabon tussen de EU-landen gemaakte afspraak 3% zou moeten zijn.
Volgens Jansen blijft de Lissabon-norm vooral buiten bereik doordat het Nederlandse bedrijfsleven relatief weinig R&D-uitgaven doet (circa 1% van het BBP). De bijdrage van de overheid (0,7% van het BBP) zou ongeveer overeenkomen met die van andere EU-landen.
De directe rijksbijdrage die de universiteiten ontvangen, is circa 3 miljard. Daarvan is 1,4 miljard bestemd voor het onderwijs en 1,6 miljard voor onderzoek, aldus Jansen. Behoudens correctie voor inflatie blijft de rijksbijdrage al jaren ongeveer gelijk. Voor wat fluctuaties zorgen voornamelijk de aantallen studenten en masterdiploma’s, zei de OCW-vertegenwoordiger.
De overige inkomsten van de universiteiten, naast de directe rijksbijdrage, werden door Jansen becijferd op ongeveer 1,3 miljard: 300 miljoen komt binnen via NWO (tweede geldstroom), 700 miljoen uit de derde geldstroom (bedrijfsleven en fondsen, EU, onderzoek in opdracht van de overheid) en 300 miljoen uit de collegegelden.
Bij deze cijfers is de 150 miljoen voor de Vernieuwingsimpuls niet meegerekend, terwijl de 100 miljoen waarover minister Plasterk vorig jaar besliste dat het (geleidelijk) van de universiteiten naar NWO wordt overgeheveld, niet tot de eerste geldstroom behoorde, maar uit de pot komt van de Smart Mix, die wordt afgeschaft.
Weinig ruimte om te sturen
Van hun totale budget van 4,3 miljard geven de universiteiten 25% uit aan overhead en 11% aan ondersteuning, aldus Jansen. Resteert 2,7 miljard die rechtstreeks aan onderwijs en onderzoek wordt besteed. Daarbij bestaan er in de besteding grote verschillen tussen disciplines. Jansen noemde als voorbeeld Rechten waar 40% van het budget aan onderzoek wordt uitgegeven en technische richtingen waar dat 70% is.
Het ministerie berekent de rijksbijdrage voor respectievelijk onderwijs en onderzoek afzonderlijk, maar het geld komt als één som bij de universiteiten, die autonoom over de besteding kunnen beslissen. Dat klinkt mooier dan het is: vele kosten liggen vrijwel vast voor een langere periode, slechts een klein deel van het budget kan werkelijk vrij worden besteed, aldus Jansen. De ruimte om te sturen is beperkt, en dat geldt zowel voor het ministerie als de instellingen.
Lissabon-norm verder uit het zicht
Tweede inleider J.H. van Oort, Beleidsadviseur Universitaire Bedrijfsvoering van de VSNU, wierp meteen al een ander licht op de door Jansen genoemde cijfers. Hij wees erop dat, gecorrigeerd voor inflatie, de rijksbijdrage voor de universiteiten tussen 1995 en 2006 iets is gestegen, namelijk van 2,965 tot 3,185 miljard (een toename met 7%), maar dat het Bruto Binnenlands Product in die periode veel sterker toenam: van 305 tot 567 miljard (een stijging van bijna 40%). De ontwikkeling van de rijksbijdrage brengt de Lissabon-norm voor onderzoeksinvesteringen dus bepaald niet meer in het zicht. In 1995 besteedde het Rijk nog ongeveer 1% van het BBP aan onderzoek (inclusief het niet-universitaire), in 2006 nog maar 0,7%.
Gecorrigeerd voor inflatie nam de voor onderzoek berekende rijksbijdrage voor de universiteiten tussen 1995 en 2006 volgens de VSNU-cijfers zelfs af: van 1,594 naar 1,489 miljard. De voor het universitaire onderwijs bestemde rijksbijdrage groeide wel, maar veel minder dan de studentenaantallen. Van Oort gaf op dit punt cijfers voor het gehele tertiair onderwijs: weer gecorrigeerd voor inflatie daalde het onderwijsbudget per student van € 5.343 in 1995 naar € 4.878 in 2006.
Onderbesteding
"Waar blijft het geld?" vroeg Van Oort over het “extra” (van de universiteiten overgehevelde) budget voor NWO. De NWO-bestedingen dalen namelijk de komende jaren. In 2009 wordt 579 miljoen uitgegeven, in 2013 nog 521 miljoen. Ook neemt het bedrag af dat van NWO naar de universiteiten stroomt. Hoewel het budget voor de Vernieuwingsimpuls groeit, is er volgens Van Oort tot 2015 sprake van een onderbesteding op de overheveling van 373 miljoen. Geld dat wordt besteed aan onderzoeksprojecten in concurrentie (ook niet WO-instellingen kunnen aan die competities meedoen) en aan het verminderen van de negatieve algemene reserve van NWO.
Het overgehevelde budget komt dus zeker niet in zijn geheel weer bij de universiteiten terecht, zoals het ministerie het voorstelde. Het gevolg, zei Van Oort, is dat de universiteiten moeten bezuinigen. De keus is alleen tussen de kaasschaaf en de botte bijl: overal iets eraf of hele vakgroepen wegbezuinigen, hoe goed ze misschien ook opereren.
Een gunstige ontwikkeling, aldus Van Oort, is het verdwijnen van de matchingverplichtingen bij NWO-subsidies. Succes bij NWO legde door die matching immers ook beslag op universitaire middelen. Voor langdurig structureel onderzoek was er daardoor minder geld vrij. Van Oort zei competitie deels goed te vinden, maar ook het gevaar te zien dat er vooral geld naar “fancy” onderzoek gaat, waardoor bepaalde vakgebieden in problemen dreigen te raken.
Ook als positief beoordeelt Van Oort de afspraak met NWO dat de integrale kostprijs van onderzoek zal worden berekend en gefinancierd. Eenvoudig is dat niet, omdat lastig te bepalen valt hoeveel een medewerker aan respectievelijk onderwijs en onderzoek doet. Maar inzicht in de werkelijke kosten verschaft de universiteiten een betere uitgangspositie in discussies over financiering.
Minder gefixeerde verdeling
Als derde spreker belichtte J.K. Wiegel, Coördinator Vernieuwingsimpuls van NWO, de vernieuwingen in dit stimuleringsproject: meer subsidies, hogere subsidies, andere voorwaarden en andere selectieprocedures.
Zie voor uitgebreide informatie over deze veranderingen: www.vawo.nl/actueel/VeniVidi2008.html. Kort samengevat: het budget voor de Vernieuwingsimpuls gaat van 100 naar 150 miljoen, er komen meer subsidies en ze worden hoger, de mogelijkheid voor hoogleraren om mee te dingen wordt aanzienlijk verruimd (tot 15 jaar na hun promotie), er hoeft ook bij Vici’s niet meer vooraf een inbeddingsgarantie van een instelling te worden verkregen, de matchingverplichting is geschrapt, voorstellen die het (binnen een van de acht wetenschapsgebieden die WO hanteert) niet hebben gehaald krijgen een herkansing bij drie domeinpanels, er komt een aparte pot voor multidisciplinair onderzoek, en indieners kunnen een kennisbenuttingsparagraaf in hun voorstel opnemen.
Het voordeel van de herkansingsronde is dat er een minder gefixeerde verdeling van het budget tussen de verschillende disciplines ontstaat, aldus Wiegel. De domeinpanels vergelijken de kwaliteit van voorstellen uit verschillende disciplenes. Een eventuele kennisbenuttingsparagraaf kan alleen in positieve zin meetellen.
Op de vraag wat bij de beoordelingen de doorslag geeft, de kwaliteit van het voorstel of die van de onderzoeker, zei Wiegel dat dit fifty-fifty is. De kwaliteit van de onderzoeker krijgt een cijferbeoordeling, die gemiddeld wordt met zo’n beoordeling voor het voorstel, nadat die eventueel gemiddeld is met de (hogere) score voor de kennisbenuttingsparagraaf.
Samenwerking met VAWO
De heer F.C.H.D. van den Beemt, CEO van HandsonGrants, hield als vierde en laatste een inleiding. HandsonGrants adviseert wetenschappers bij het opstellen van onderzoeksprojectvoorstellen. Tevens wil de organisatie ervaringen inventariseren om tot voorstellen te komen voor verbetering van de beoordelingsprocedures van onder meer NWO. Van den Beemt noemde de Vernieuwingsimpuls een prachtig programma, maar er valt volgens hem nog veel aan te verbeteren als goed naar de praktijk wordt gekeken.
Op dit punt kondigde Van den Beemt een samenwerking aan met de VAWO. VAWO-leden die overwegen beroep aan te tekenen tegen een afwijzing van NWO, kunnen zich daarover gratis laten adviseren door HandsonGrants. Aan HandsonGrants verschaft dat inzicht in (fouten in) de beoordelingsprocedures, op basis waarvan NWO geadviseerd kan worden over mogelijke verbeteringen. Volgens Van den Beemt heeft een beroep aanzienlijk meer kans op succes dan veel wetenschappers denken.
Over het opstellen van een onderzoeksprojectvoorstel gaf Van den Beemt alvast een aantal tips, zoals: geen mooischrijverij maar rechttoe, rechtaan formuleren, (kern)zinnen zonodig letterlijk herhalen, de past performance in het voorstel schrijven. Wie een geniaal idee denkt te hebben, doet er toch beter aan een voorstel te formuleren dat mainstream en feasible is. Als het voorstel erdoor is en men aan de slag gaat, kan die briljante wending alsnog aan het onderzoek worden gegeven, aldus Van den Beemt, die stelde dat Einstein waarschijnlijk niet gehonoreerd zou zijn.
Hard signaal nodig
De op de inleidingen volgende discussie van forum en zaal startte bij het belang van de past performance voor de honoreringskans en de vraag of het weer opkomende fenomeen van promoveren met een beurs daar voor de betrokkenen geen afbreuk aan doet. De inleiders zeiden allen voorstander van een dienstverband voor promovendi te zijn. Maar noch OCW, noch NWO, noch de VSNU kan dat afdwingen: de universiteiten kunnen hun eigen koers varen.
Het onderliggende probleem is de financiering – de universiteiten moeten woekeren met hun middelen. Dat wreekt zich ook op andere punten, gaf de Utrechtse bioloog K. W. Rodenburg aan. Volgens hem is er een hard signaal nodig dat het fout gaat: er vinden tal van reorganisaties plaats, ondanks goed onderzoek en onderwijs worden vakgroepen en faculteiten, zoals die van Rodenburg, gemarginaliseerd.
VSNU-vertegenwoordiger Van Oort beaamde Rodenburgs vrees: bij alle universiteiten dreigt dit. Mede daarom acht hij het van groot belang dat de integrale kostprijs van onderzoek wordt bepaald. Dat verstevigt, zoals Van Oort ook in zijn inleiding aangaf, de positie van de universiteiten in het debat over financiering. Hij memoreerde nogmaals de 100 miljoen die van de universiteiten naar NWO wordt overgeheveld en de terugloop in de NWO-bestedingen in de komende jaren.
Samen naar Plasterk
NWO-man Wiegel zei liever te hebben gezien dat NWO extra geld kreeg dat niet aan de universiteiten wordt onttrokken, maar benadrukte dat de middelen uiteindelijk wel weer bij de universiteiten belanden. Uiteindelijk geeft NWO alles uit aan onderzoek, zei hij. Maar het NWO-bestuur heeft er begin deze eeuw gekozen voor gekozen meer geld uit te geven dan het ontving, een overbesteding die ook diende om pressie op de regering uit te oefenen. Er is echter niet in de mate die NWO had gewild in onderzoek geïnvesteerd. We kunnen niet blijven overbesteden, aldus Wiegel. Van Oort stelde daarop voor dat NWO en VSNU samen naar Plasterk zouden gaan, een idee waarmee Wiegel zijn instemming betuigde.
B.J.M. Verduin, VAWO-vertegenwoordiger in het Wageningse Lokaal Overleg, plaatste de nieuwe regeling inzake kennisbenutting (“valorisatie” in OCW-spraak) bij de Vernieuwingsimpuls in het licht van de relatief geringe onderzoeksuitgaven van het bedrijfsleven. Wordt zo niet ten koste van de eerste geldstroom en het fundamenteel onderzoek de derde geldstroom aangevuld? Volgens Wiegel is dat niet het geval. NWO blijft staan voor hoogwaardig fundamenteel onderzoek, zei hij. Maar Van Oort kon zich wel vinden in Verduins redenering. De universiteiten zijn inderdaad de dupe, zei hij. Ze zijn bovendien voorzichtig. Wat er van NWO binnenkomt is immers mede afhankelijk van de concurrentie, ze kunnen dat niet zondermeer incalculeren. Daarom zijn de universiteiten geneigd meer te bezuinigen dan misschien strikt noodzakelijk is.
Geesteswetenschappen in het nadeel
De introductie van kennisbenuttingsparagrafen is nadelig voor de geesteswetenschappen, opperde VAWO- en dagvoorzitter H. de Hoop. Wiegel zei dat niet te verwachten, maar als uit een na het eerste jaar te houden evaluatie blijkt dat het systeem doorslaat, dan mag worden aangenomen dat er een correctie komt, meent hij.
De verdeling van de gelden uit de nieuwe pot voor multidisciplainair onderzoek zal de betreffende commissie voor een complexe opgave stellen, zei R.H. Cuijpers, onderzoeker aan de TU Eindhoven. NWO zoekt hiervoor wetenschappers uit allerlei onderzoeksdomeinen die over de grenzen van hun eigen discipline kunnen kijken, zei Wiegel. De commissie moet evenwichtig samengesteld zijn. Wiegel toonde zich optimistisch: de ervaringen van NWO met brede commissies zijn goed.
Meerwaarde?
In het kader van de overheveling van geld van de universiteiten naar NWO zei VAWO-penningmeester W.T. van Horssen te betwijfelen of NWO wel meerwaarde heeft. Zijns inziens zouden de universiteiten heel goed zelf kunnen bepalen hoe zij onderzoekgsgelden inzetten. De positieve uitkomsten van visitaties wijzen daar ook op, zei hij. Een deel van de middelen voor NWO gaan nu op aan de overhead van NWO, de beoordeling van onderzoeksvoorstellen kost veel menskracht.
Jansen verklaarde dat minister Plasterk wil dat er meer geld naar onderzoekers gaat. Vandaar de overheveling. Het ministerie heeft anders geen greep op de besteding van deze middelen, de universiteiten zijn immers autonoom en zouden ze ook aan onderwijs kunnen besteden, aldus de OCW-vertegenwoordiger.
Wiegel wees erop dat overheadkosten volgens een recente evaluatie laag zijn.
Slecht voorbeeld
E. de Heer, vice-voorzitter van de VAWO, opperde dat de geringe bijdrage aan onderzoek door het bedrijfsleven te wijten valt aan de voorbeeldfunctie van de overheid zelf. In vergelijking met bijvoorbeeld Duitsland, Frankrijk en Zwitserland is het peanuts wat de Nederlandse overheid – buiten de directe financiering van de wetenschappelijke instellingen – aan onderzoek uitgeeft.
De Hoop uitte – eens te meer – haar zorgen over de positie van het wetenschappelijk personeel tengevolge van de ontwikkelingen in de financiering van de wetenschap. Het WP is steeds vaker op tijdelijke aanstellingen aangewezen, zoals geïllustreerd wordt door de scherpe afname van vaste UD-functies (van 4031 in 1999 naar 3191 in 2006). Zelfs een ‘Vidi’ is geen garantie om door te kunnen gaan in de wetenschap, constateerde ze.
Wiegel zei dat NWO graag zou zien dat Vernieuwingsimpuls-subsidies tot een positie in de vaste staf zouden leiden. NWO is niet zo blij met de overheveling van middelen, omdat de totale som geld in het systeem daardoor niet groeit. In feite wordt er al twintig steeds minder geld in de wetenschap gestoken. Des te opmerkelijker noemde Wiegel het dat het werk van Nederlandse wetenschappers blijkens allerlei ranglijsten nog steeds van hoge kwaliteit is.
De politiek is nu eenmaal een andere wereld, reageerde Jansen: daarin legt het belang van de wetenschap het af tegen andere zaken, zowel binnen het onderwijs, zoals de lerarensalarissen, als daarbuiten.
Eerlijker systeem
S.D. Swierstra, hoofd van het centrum voor softwaretechnologie van Universiteit Utrecht, merkte op dat de advisering door HandsonGrants uiteindelijk niet tot meer gehonoreerde aanvragen leidt: het is een zero sum game. We willen het systeem eerlijker maken, reageerde Van den Beemt. Bovendien worden soms niet alle beschikbare fondsen ook daadwerkelijk verdeeld. Dat is bijvoorbeeld in sterke mate het geval bij technologiestichting STW, zei hij.
Maar hoe meer klanten je hebt, hoe minder het effect, aldus P.A.F.M. Goemans, oud-medewerker en VAWO-contactpersoon bij de TU Eindhoven. Dat is juist, erkende Van den Beemt, maar het aantal klanten van HandsonGrants is beperkt.
Er is natuurlijk altijd ruimte voor verbetering, maar de mensen in onze commissies en onze externe experts zijn zeer deskundig, aldus Wiegel. Hij zei ervan overtuigd te zijn dat grosso modo de beste voorstellen en beste onderzoekers door NWO worden gehonoreerd. Van den Beemt bestreed dat niet, maar je zou eens moeten kijken van welk soort onderzoek vijftig jaar veel werd verwacht en van welk juist niet, zei hij. Dat is uiteindelijk vaak omgekeerd uitgepakt. Wat waardevolle innovaties oplevert, blijkt heel moeilijk te voorspellen, aldus Van den Beemt.
|