VAWO Vakbond voor de wetenschap

Het VAWO-symposion over de relatie WO-HBO (6 juni 2006)

Avances op een waterbed

Om diverse redenen en op diverse manieren vindt een toenadering plaats tussen het wetenschappelijk onderwijs en het hoger beroepsonderwijs. Over de vraag hoe deze relatie – die moet opbloeien op het ‘financiële waterbed’ van OCW-gelden – het best gestalte kan krijgen, ging het VAWO-symposion van 6 juni 2006 op de Vrije Universiteit.

 

Veel wetenschappers hechten sterk aan het onderscheid tussen WO en HBO. Het wetenschappelijk onderzoek zorgt in hun ogen voor een wezenlijk verschil tussen beide vormen van hoger onderwijs. Maar op bestuurlijk niveau is er een sterke tendens tot samenwerking. Het is dat het (nog) niet is toegestaan, maar anders zouden Universiteit en Hogeschool van Amsterdam al een paar jaar geleden gefuseerd zijn. Vooralsnog moest het blijven bij een bestuurlijke personele unie.

Ook de Vrije Universiteit en Hogeschool Windesheim hebben één College van Bestuur. Vanuit zijn ervaring met de samenwerking tussen beide instellingen gaf prof. dr. Taede Sminia, tot 1 september2006 rector magnificus van de VU, als eerste inleider op het symposion zijn persoonlijke visie op de toekomstige relatie tussen WO en HBO.

Selectie aan de poort?

Sminia begon met te wijzen op allerlei ontwikkelingen in het voortgezet onderwijs waarmee WO en HBO te maken hebben: “Er is discussie over de profielen in het voortgezet onderwijs en de vraag of er meer differentiatie moet komen. Bovendien ontstaat er onderscheid binnen onderwijssoorten, zoals tweetalige scholen, sportscholen en dergelijke. Ook over school- versus centrale eindexamens is er discussie en er wordt gepleit voor uitbreiding van het havo van vijf naar zes jaar om de voorbereiding op het HBO te verbeteren.

Volgens sommigen zijn deze ontwikkelingen en de diversiteit die zij meebrengen, reden om te pleiten voor selectie aan de poort. Ik ben het daarmee oneens. Selectie aan de poort blijkt tot dusver niet effectief, zoals onder meer blijkt uit het recente besluit van Universiteit Leiden om er niet mee door te gaan.”

Alleen universitaire masters

”Tot en met de bachelors zou het huidige binaire systeem van WO en HBO moeten worden gehandhaafd”, aldus Sminia. “Daarna zou de opleiding universitair moeten zijn, waarbij onderwijs en onderzoek verweven zijn. Hier vindt wél selectie plaats, waarbij er een inhoudelijk divers aanbod aan opleidingen is, een palet aan masters. Daaronder de zogenaamde ‘professional master’, gericht op het beroepsveld, met meer koppeling met de praktijk buiten de scherpe wetenschap.”

Sminia ziet een universitaire structuur voor zich met na de bachelor een ‘Graduate (research) School’ en een ‘Professional School’, die naast de tweede fase (master) ook de derde fase (promotietraject, resp. postexperience) verzorgen. De masters moeten volgens Sminia publiek gefinancierd worden, terwijl bij de derde cyclus ook private financiering zijn intrede kan doen.

In het HBO zouden meer gepromoveerde medewerkers moeten werken, waardoor de koppeling tussen onderwijs en onderzoek in het HBO versterkt zou worden, stelde Sminia. Ten slotte bepleitte hij een betere koppeling tussen fundamenteel en maatschappelijk gestuurd onderzoek. Dit moet de betekenis van het onderzoek voor bedrijfsleven en samenleving doen toenemen (‘valorisatie’).

Mantelpakjes en hoofddoekjes

Tweede inleider prof. dr. Ben Hoetjes, oud-VAWO-bestuurslid, sprak vanuit zijn ervaring op de werkvloer van zowel WO als HBO, i.c. Universiteit Maastricht en Haagse Hogeschool. Hij signaleerde een enorm verschil in de studentenpopulaties van beide. “De universiteit is een blanke enclave, terwijl de hogeschool een open verbinding met de samenleving heeft. Daar zie niet alleen mantelpakjes maar ook hoofddoekjes. Een derde van de studenten op de Haagse Hogeschool is van allochtone afkomst.”

”Het onderwijs is ook wezenlijk anders. Het gaat in het HBO vooral om de overdracht van praktische, bruikbare kennis, waar de universiteit mikt op reflectie. Voor veel docenten in het HBO geldt veel meer dan op de universiteit dat na de les de deur letterlijk of figuurlijk dichtgaat.”

Maar er zijn ook veel raakvlakken en redenen voor contact en samenwerking, betoogde Hoetjes. “Om een voorbeeld te noemen: de zware bezuinigingsoperatie bij rechten in Leiden zie je terug bij HBO-rechten in Den Haag. Als er tien jaar geleden meer contact was geweest, zouden die bezuinigingen veel minder pijn en ellende met zich mee hebben gebracht.”

Hoetjes wees erop dat WO en HBO te maken hebben met hetzelfde ministerie, daarbinnen tegenwoordig met dezelfde poot (‘hoger onderwijs’), terwijl ze ook onder dezelfde begroting vallen: “Ze zitten op een financieel waterbed.”

Een krachtige impuls tot contact gaat bovendien uit van de bachelor/master-structuur, die een overstap van studenten regulier mogelijk maakt. Maar ook zonder BaMa begaven WO en HBO zich voor een deel al op dezelfde markt bij de werving van studenten. Verder bewegen ze zich in belangrijke mate op dezelfde arbeidsmarkt.

De in- en doorstroom van studenten, de aansluiting tussen bachelors en masters, het optimaal benutten van personeel – dergelijke kwesties zorgen ervoor dat er een wederzijds belang is bij toenadering en vormen van samenwerking. “Laten we een verhouding beginnen. Hoe dat uitpakt, zien we dan wel”, aldus Hoetjes, die evenals Sminia pleitte voor meer gepromoveerde docenten in het HBO.

Ondershands

Op dit laatste punt spitste de discussie na de inleidingen zich vooral toe. Het zal nog niet zo eenvoudig zijn meer gepromoveerden in het HBO aan de slag te krijgen, meende VAWO-voorzitter dr. Helen de Hoop. Tenzij natuurlijk het HBO-docenten heel gemakkelijk wordt gemaakt de doctorstitel te verwerven. Een ‘oplossing’ die niets aan het niveauprobleem verandert. De Hoop wees erop dat het HBO weinig personeelsadvertenties plaatst, maar vaak docenten ondershands aanstelt. “Dus hoe realiseer je die stijging?”

Sminia: “Je moet dat doen door selectie aan de poort van nieuw personeel. Nu is het een gesloten circuit. Er moet ook meer een onderzoeksklimaat gecreëerd worden. Wij proberen dat in Zwolle te doen. Maar het zal wel een generatie duren voor we boven de 50 procent zitten wat betreft gepromoveerde docenten in het HBO of in ieder geval mensen met onderzoekservaring.”

Hoetjes: “Belangrijker dan de titel is een academische habitus. Je moet er voorzichtig mee omgaan: een titel eisen zou het huidige personeel degraderen.”

Sminia: “Maar niet té voorzichtig. Op de universiteiten was twintig jaar geleden van het WP in de alfa- en gammarichtingen meer dan de helft niet gepromoveerd. Dat is met succes gestimuleerd.”

“Je zou ook een salarisprikkel kunnen geven”, opperde oud-VAWO-bestuurslid dr. Arie Rijlaarsdam.

Hoetjes: “Docenten in het HBO worden in het algemeen onderbetaald: schaal 10 – dat deugt niet.”

Geconcludeerd werd dat de ontwikkelingen op dit punt in ieder geval niet aan de afzonderlijke instellingen kunnen worden overgelaten. Sturing door OCW wordt noodzakelijk geacht.

Geen universiteitje spelen

Een intensievere relatie tussen WO en HBO moet niet inhouden dat het onderscheid tussen beide vervaagt, zo gaven verscheidene sprekers aan. “Het HBO moet geen universiteitje gaan spelen. Vanuit ieders eigenheid moeten WO en HBO meer voor elkaar gaan betekenen”, zei Sminia.

Het onderscheid werd vooral benoemd in termen van onderzoek. Het HBO zou zich uitsluitend moeten richten op praktijkgericht onderzoek. Promotie-onderzoek zou alleen op de universiteit moeten plaatsvinden. Maar van dat praktijkgerichte onderzoek komt op hogescholen nog niet veel terecht, zo werd gezegd. Het ontbreekt aan niveau en adequate begeleiding, onder meer omdat HBO-lectoren veelal een te zwaar takenpakket hebben.

Geld is als zo vaak het knelpunt. Sminia: “Er moet hoe dan ook veel meer geld in het onderwijs gestoken worden. De 3% van het Bruto Nationaal Product voor onderwijs, zoals de EU-landen in Bologna afspraken, wordt niet waargemaakt. Of het basisonderwijs of het HBO dan het meeste nodig heeft, weet ik niet. Het praktijkgerichte HBO-onderzoek zou volgens mij wel voor een deel uit private middelen gefinancierd kunnen worden.

Studenten zouden in elk geval voldoende studiefinanciering moeten krijgen; nu moeten ze wel naast hun studie veel werken. Een middel kan zijn om het collegegeld af te schaffen. Dat zou veel besparen op ambtenarij.”