Enquête over UFO-invoering
toont veel ‘pijnpunten’
De invoering van het Universitair systeem voor Functie-Ordening (UFO) is allesbehalve vlekkeloos verlopen. Dat blijkt uit een in 2006 uitgevoerde enquête van de gezamenlijke werknemersorganisaties. Slechts 45% van de respondenten is tevreden met hun UFO-indeling. Er is ook veel kritiek op de invoeringsprocedure. De algemene en instellingsspecifieke uitkomsten zullen in het Lokaal Overleg van de afzonderlijke universiteiten aan de orde worden gesteld.
UFO werd tussen 1 september 2003 en 31 december 2004 ingevoerd. In de enquête is getoetst of de doelstellingen van het nieuwe functie-ordeningssysteem zijn gerealiseerd en de afspraken over de wijze van invoering zijn nagekomen. Van de in totaal 46.358 universitaire medewerkers hebben 3364 (7,26%) de enquête ingevuld. 2111 van hen werken in een OBP-functie, 1218 in een WP-functie. De respons is voldoende voor een behoorlijk respresentatief beeld, vinden de bonden, ook al voldeden de enquêtevragen niet aan methodologische vereisten.
Onderwijs en onderzoek ondergewaardeerd
De UFO-systematiek is afgeleid van de HAY-methode voor functiewaardering en gaat uit van resultaatgerichte functiebeschrijvingen. Door UFO is meer transparantie ontstaan over wat werkgever en werknemers afspreken over de resultaten van het werk, concluderen de bonden. Het is een herkenbaar eigen systeem en een aanzienlijke verbetering ten opzichte van de oude situatie, al komt in het systeem het uitvoerend werk nog onvoldoende tot zijn recht: “Beleidsmatige en leidinggevende aspecten van het werk worden nog steeds hoger gewaardeerd dan uitvoering van werk op een hoog onderwijs- en/of onderzoekniveau.”
UFO zou ook een meer transparant beloningssysteem en heldere loopbaanperspectieven moeten opleveren. Dat is nog niet het geval. Uit de enquête blijkt dat de functieprofielen nog onvoldoende worden gebruikt voor resultaatafspraken, loopbaanplanning, opleiding, competentieontwikkeling en taak- en functiedifferentiatie.
Ook ten aanzien van de wijze van invoering van UFO komen uit de enquête veel ‘pijnpunten’ naar voren. Ondanks ‘harde’ afspraken hierover in de CAO, vinden 20% van de respondenten dat zij niet, onvoldoende of veel te laat over UFO zijn geïnformeerd. Vooral de EUR en de UU springen er op dit punt in negatieve zin uit. In bijna de helft van de gevallen is er geen gesprek geweest tussen leidinggevende en medewerker over de voorgenomen UFO-indeling. Vooral bij het WP is dat nagelaten (61%). Op dit punt scoren Leiden, Twente en weer de EUR het slechtst. In een kwart van de gevallen is het voorgenomen indelingsbesluit niet eerst aan de medewerker voorgelegd.
Intimiderend
In meer dan 20% van de gevallen ontbreken in het UFO-indelingsbesluit bepaalde aspecten van het werk, vooral bij het WP. Op dit punt zijn er tussen de universiteiten grote verschillen. Leidinggevenden hebben medewerkers soms op een als intimiderend ervaren manier benaderd. De bedenkingen- en bezwarenprocedure heeft op zich goed gefunctioneerd, maar instellingsbesturen hebben in circa 30% van de gevallen de uitspraak van de landelijke bezwarencommissie naast zich neeergelegd. De UFO-indeling wordt nog te vaak niet gebruikt in functionerings- en resultaat- en ontwikkelingsgesprekken.
In een aantal gevallen is UFO gebruikt als legitimatie voor veranderingen in de taakverdeling of de organisatie. Deze ‘toekomstgerichtheid’ is in strijd met het uitgangspunt dat de huidige functie en werkzaamheden centraal zouden staan.
De argumentatie voor het functieniveau en de toepassing van de indelingsregels schoot in veel gevallen tekort. Leidinggevenden hadden soms ook onvoldoende zicht op de werkelijke werkzaamheden van een medewerker. De indelingsfouten als gevolg hiervan waren in sommige gevallen onvoldoende bespreekbaar.
Ook waren er tamelijk veel gevallen waarin leidinggevenden het samen met de medewerker oneens waren met de UFO-indeling, maar door hogerhand werden ‘overruled’.
20% van de WP-respondenten en 10% van het OBP zegt niet geïnformeerd te zijn over de consequenties van het indelingsbesluit en de mogelijkheden om te reageren.
Advies op bezwaar vaak niet gevolgd
Een kleine dertig procent heeft gebruikgemaakt van de bedenkingen- en bezwarenprocedure. Meer dan tweederde van hen vindt dat de uitkomst van de procedure voor bedenkingen niet correct was. Zowel bij het WP als het OBP zijn er op dit punt grote verschillen tussen de universiteiten. Van degenen die gebruik hebben gemaakt van de bedenkingenprocedure heeft 46% ook bezwaar gemaakt. Dit is 13% van het totale aantal respondenten (van alle medewerkers heeft volgens cijfers van de VSNU 8,5% bezwaar aangetekend).
Iets minder dan de helft van de enquête-respondenten die bezwaar maakten is tevreden over de procedure bij de landelijke bezwarencommissie. Hierbij zijn weer grote verschillen tussen de universiteiten. 35% van het WP en 27% van het OBP vondt de uitkomst van de bezwarenproccedure correct. Maar in een derde van de gevallen hebben CvB’s besloten van het advies van de commissie af te wijken. Dat deden vooral de CvB’s in Wageningen (60%), Eindhoven (51%) en Delft (50%). De percentages kunnen vertekend zijn omdat het steeds om een klein aantal gevallen gaat.
De bonden concluderen dat de procedure voor bedenkingeen en bezwaar aan hun bedoelingen heeft voldaan, maar noemen het aantal bezwaren opvallend laag. Uit de antwoorden op de open vraag aan het slot van de enquête maken de bonden op dat dit kan komen door een intimiderende benadering door leidinggevenden. Deze “zouden gecorrigeerd moeten worden”.
Minder dan de helft tevreden
53% van de respondenten (het WP meer dan het OBP) is ontevreden over het UFO-invoeringsproces. Met de indelingsuitkomst is 40,8% van het OBP en 50,4 van het WP het eens. Slechts één op de vijf medewerkers vindt dat het UFO-functieprofiel voldoende of goed is gebruikt bij het meest recente functioneringsgesprek.
Van de respondenten was 38% lid van een bond. 8% van de respondenten heeft bij UFO gebruikgemaakt van de dienstverlening van hun bond. Een kwart van hen vond die dienstverlening onder de maat. In het enquêteverslag wordt opgemerkt dat hierbij rekening moet worden gehouden met een ‘natuurlijk ongenoegen’ als betrokkene niet zijn zin heeft gekregen.
14,5% hoger ingedeeld, 9,8% lager
Medio 2005 waren 95,8% van de universitaire medewerkers volgens UFO ingedeeld, zo blijkt uit cijfers van de VSNU. Niet ingedeeld waren voornamelijk medewerkers die kort voor hun pensioen staan of langdurig ziek zijn. De bonden kunnen daar wel mee leven, mits op afzienbare termijn de 100% wel (nagenoeg) bereikt wordt.
Uit de VSNU-cijfers blijkt voorts dat 14,5% van de medewerkers door UFO in een hogere salarisschaal zijn gekomen. 9,8% is lager ingedeeld. Dat heeft voor henzelf geen salarisconsequenties, maar een opvolger zal lager worden ingeschaald. De consequentie is dat de salarislasten voor de universiteiten structureel hoger worden, maar deze stijging blijft binnen wat voorzien was. De bonden gaan gaan ervanuit dat deze ontwikkeling niet ten koste zal gaan van het toegezegde behoud van werkgelegenheid of de arbeidsvoorwaarden.
Het evaluatieverslag Universitaire functies gewikt en gewogen kan worden gedownload van: www.universitairfunctieordenen.nl/ UFO_evaluatie_rapport_wno_def.pdf
|