Liever een tijdelijk contract dan ontslag
De VSNU heeft op 12 december 2006 een manifest uitgebracht waarin onder meer gepleit wordt voor verbetering van het perspectief en de positie van ‘jonge onderzoekers’. In het manifest wordt gesteld dat het ‘langdurig stapelen’ van tijdelijke contracten voor postdocs moet worden vermeden. Vanwege deze passage heeft de VAWO het manifest niet ondertekend.
Het manifest Talent in eigen hand is vooral een oproep aan formerend Den Haag om te investeren in de wetenschap. De VSNU hoopte dat het manifest zo breed mogelijk zou worden onderschreven. Aan de bezwaren van de VAWO tegen de passage over het stapelen werd evenwel onvoldoende tegemoetgekomen en uiteindelijk hebben allen Abvakabo FNV en het promovendinetwerk PNN het manifest mede-ondertekend.
Zolang geen maatregelen worden genomen om het aantal vaste WP-posities te verhogen, pakt het tegengaan van het stapelen van tijdelijke contracten volgens de VAWO funest uit voor vele uitstekende postdoconderzoekers. Weer een nieuw tijdelijk contract is voor hen nu vaak de enige mogelijkheid om als wetenschapper aan het werk te blijven. Volgens cijfers van de VSNU was per 31 december 2005 al 55,7% van het wetenschappelijk personeel in tijdelijke dienst, de meesten zonder uitzicht op een vaste aanstelling.
Illusie
VAWO-voorzitter Helen de Hoop: “Het gebeurt nu al zeer regelmatig dat fantastische wetenschappers het verzoek krijgen om toch alsjeblieft even zes maanden wat anders te gaan doen, zodat universiteiten ze daarna weer netjes volgens de CAO zes jaar lang op tijdelijke contracten in dienst kunnen houden.
Universiteiten vertikken het om die onderzoekers een aanstelling voor onbepaalde tijd te geven, al zijn ze nog zo succesvol. Zolang al het geld van NWO naar tijdelijke projecten gaat, is het een illusie te denken dat de echt goede wetenschappers uiteindelijk wel een vaste baan binnen de universiteit zullen vinden. Het zijn juist vaak de echt goede wetenschappers die het jarenlang kunnen volhouden op tijdelijke contracten, omdat elke universiteit ze dolgraag wil hebben. Maar dus niet voor vast.
Natuurlijk zijn we blij met elk initiatief om het perspectief en de positie van wetenschappers in Nederland te verbeteren. Maar de concrete suggesties in het manifest zijn daar strijdig mee. Er wordt gepleit voor meer tijdelijke posities en minder mogelijkheden voor een langere loopbaan in het onderzoek.
Ook het belang van de wetenschap wordt daar niet mee gediend. Wetenschappers zijn geen werknemers van het type voor jou tien anderen. Elke goed functionerende en ervaren wetenschapper die moet vertrekken omdat zijn contract voor bepaalde tijd is afgelopen, beschouwen wij als een aderlating. Dat voortdurend laten weglekken van wetenschappelijke expertise gaat nu al jaren door in Nederland. Helaas zal dat met het manifest niet verbeteren.”
Aantallen
Er zijn meer vraagtekens te plaatsen bij het VSNU-manifest. Een aantal beweringen erin zijn op z’n minst twijfelachtig.
Niet alleen de positie, maar ook de aantallen promovendi en postdocs zouden onder druk staan door de bezuinigingen op het wetenschappelijk onderzoek. Er zouden met name minder promovendiplaatsen beschikbaar zijn.
Deze stelling wordt niet onderbouwd en lijkt niet met de realiteit te stroken. Een goede vergelijking over de afgelopen jaren is niet goed mogelijk door de inmiddels voltooide overdracht van het werkgeverschap van NWO naar de universiteiten. Op haar website spreekt de VSNU in dit verband van “een deels kunstmatige stijging van het aantal promovendi”. Deels is die stijging dus ook reëel. Ook informatie van afzonderlijke universiteiten wijst op een toename van het aantal promovendi.
De ontwikkeling van het aantal postdoconderzoekers is gewoonweg niet bekend, omdat zij in de personeelssystemen van de meeste universiteiten niet als aparte categorie zijn opgenomen.
Promotie vaak geen pre voor bedrijfsleven
Het VSNU-manifest stelt dat Nederland meer gepromoveerden nodig heeft. Maar waarom wordt niet duidelijk gemaakt. Verhoudingsgewijs telt de Nederlandse beroepsbevolking weinig gepromoveerden. Maar van een groeiende vraag ernaar lijkt geen sprake, zeker niet buiten de wetenschap. Ook tijdens het ‘VSNU-café’ waarop het manifest werd gepresenteerd, kwam naar voren dat een promotie voor het bedrijfsleven vaak helemaal geen pre is. Een gepromoveerde is ouder, duurder en meer gespecialiseerd dan iemand die na zijn master het bedrijfsleven ingaat.
Volgens het manifest zelf zijn jonge onderzoekers op de arbeidsmarkt “niet populair” en moet er gewerkt worden aan een betere maatschappelijke positie voor jonge onderzoekers. Ligt het niet in de rede daaraan eerst te werken?
Twijfelachtig is ook de stelling in het manifest dat “slechts zo’n 30% van de gepromoveerden en 50% van de postdocs een vaste baan vindt binnen de universiteit”. In een voetnoot wordt dat ook erkend: het laatste onderzoek over promovendi dateert uit 1996, het aantal postdocs is onbekend. Waarschijnlijk is de werkelijke situatie nog een stuk schrijnender.
Differentiatie in promotiestelsel
Met de nodige argwaan zal de VAWO bezien wat de aanbeveling in het manifest om meer differentiatie in het promotiestelsel te brengen, in de praktijk zal betekenen. Meer beurzen in plaats van aanstellingen voor promovendi, zoals onder andere in Groningen? Uitholling van de niveau-eisen?
Andere aanbevelingen kan de VAWO zeker onderschrijven: investeringen in de wetenschap, goede voorlichting aan studenten en promotie-kandidaten over hun loopbaanperspectieven in de wetenschap, betere aansluiting van de promotietrajecten op de behoeften van de arbeidsmarkt, werken aan een betere maatschappelijke positie voor (al dan niet ‘jonge’) onderzoekers. Maar met te veel mitsen en maren (“niet de ultieme oplossing”, waken voor een te groot aandeel vaste aanstellingen in verband met de vernieuwing van het onderzoek) wordt de volgens de VAWO cruciale aanbeveling gebracht om het aantal vaste WP-posities uit te breiden.
Onjuiste stelling in persbericht van de VAWO?
De VAWO heeft in een persbericht haar bezwaren tegen de anti-stapelingspassage in het VSNU-manifest uiteengezet. Volgens de VSNU is de stelling in dit persbericht dat het universitaire personeel voor slechts de helft uit wetenschappers bestaat onjuist. Recentelijk heeft de VSNU gegevens uit haar personeelsinformatiesysteem WOPI over 2005 bekendgemaakt, waaruit inderdaad een andere getalsverhouding tussen WP en OBP naar voren komt. Volgens deze cijfers was op 31 december 2005 54,8% van het universitaire personeel WP en 45,2% OBP.
Een hele verbetering ten opzichte van 2004? Dat valt niet te zeggen, want de VSNU heeft de WOPI-systematiek veranderd en aangepast aan de functie-indelingen van het UFO-systeem. Een aantal functies die vroeger onder het OBP vielen, gelden thans als wetenschappelijke functies. De cijfers zijn dus niet vergelijkbaar met die van voorgaande jaren. Pas als de gegevens over 2006 bekend zijn, kan worden vastgesteld of de verhouding WP : OBP inderdaad ten gunste van het WP verschuift.
Wat de WOPI-cijfers over 2005 wel vertellen is dat van het WP nog maar 44,3% in vaste dienst is. Door de systematiekwijziging is ook dit gegeven niet vergelijkbaar met de cijfers van voorgaande jaren, die voor 2004 bijvoorbeeld 45,7% vaste WP-aanstellingen aangaven.
Een indicatie dat het aantal promovendi afneemt, lijken de nieuwe cijfers in ieder niet te geven – integendeel. Ook cijfers die sommige universiteiten zelf geven, wijzen op een toename.
Postdoconderzoekers zijn ook in de nieuwe opstelling van de WOPI-cijfers nog steeds geen onderscheiden categorie. Naar de getalsmatige ontwikkelingen bij deze groep blijft het dus gissen.
|