VSNU vraagt politiek om investeringen
en geld voor hogere salarissen
''Meer plaatsen nodig voor universitaire (hoofd)docenten en hoogleraren''
Geld voor beter onderwijs, meer faciliteiten voor talentvolle studenten, meer plaatsen voor promovendi en voor universitaire (hoofd)docenten en hoogleraren, meer faciliteiten voor toponderzoek en – last but not least – voor hogere salarissen. Ziedaar het verlanglijstje dat de VSNU in augustus middels haar position paper Kansen voor kennis bij de politiek heeft neergelegd.
In de position paper stelt de VSNU dat Nederland een sterke positie heeft in de wetenschappelijke wereld. Ze verwijst naar de citatie-impact-scores (die aangeven hoe vaak publicaties door vakgenoten worden gebruikt). In de periode 2000–2003 deed ons land het beter dan onder andere het Verenigd Koninkrijk, Canada, Finland, Zweden, Duitsland en Australië.
Toch moet er flink extra in de wetenschap worden geïnvesteerd, vinden de universiteiten, omdat er een ware kenniswedloop gaande is. Op andere ranglijsten blijft Nederland duidelijk achter.
Het aantal hoogopgeleiden stijgt in landen als de VS, Finland, Zweden, België, het Verenigd Koninkrijk, Denenmarken en Frankrijk beduidend sneller dan hier en de Lissabon-doelstelling van 50% hoogopgeleiden in de beroepsbevolking is met de 24% van nu nog ver uit het zicht.
Ook het aantal onderzoekers is laag voor een land dat zich als kenniseconomie afficheert. Van de duizend werkende mensen zijn er in Nederland slechts vijf onderzoeker, tegen zestien in Finland, tien in Zweden en Japan en negen in de VS.
Op het gebied van uitgaven voor Research en Developement loopt Nederland evenmin voorop. Integendeel. De 1,76% van het bruto binnenlands product (BBP) steekt schril af tegen bijvoorbeeld de 2,6% in de VS en Zuid-Korea, de 3,2% in Japan en de 3,5% in Finland. In termen van het BBP is de overheidsfinanciering van de Nederlandse universiteiten in tien jaar fors achteruitgegaan: van 0,709% in 1996 naar 0,622% dit jaar.
Excellente studenten
De VSNU vraagt de politiek ruim 850 miljoen euro per jaar meer voor de universiteiten uit te trekken.
250 miljoen wordt gevraagd voor verbetering van het universitaire onderwijs. Met dit geld moeten faciliteiten voor getalenteerde studenten worden gecreëerd (‘maatwerk’), ruimtes voor kleinschalig onderwijs, breakout rooms, oefenlabs, elektronische leeromgevingen, videoconferencing rooms en wireless access, terwijl de staf-student ratio moet worden verbeterd van 1:22 naar 1:15, zodat het onderwijs minder massaal wordt.
Behalve meer geld willen de universiteiten op onderwijsgebied ook meer wettelijke ruimte. Dat moet de mogelijkheid bieden om verbrede bachelors in te richten waardoor studenten meer tijd krijgen voor zij een definitieve studiekeuze maken, wat veel uitval kan voorkomen. Tegelijk moet ruimte worden gecreëerd om de masters met een half jaar te kunnen verlengen, teneinde bij een verbrede bachelor toch hetzelfde eindniveau te kunnen bereiken.
Daarnaast wensen de universiteiten ruimte om verdiepings- en verberedingsprogramma’s (honoursprogramma’s) en topbachelors- en masters te kunnen realiseren voor getalenteerde en gemotiveerde studenten.
In de position paper wordt ook gepleit voor een bindend studieadvies na één jaar. Een voorstel dat door minister Van der Hoeven en staatssecretaris Bruins gretig is omarmd, maar in eigen VSNU-kring meteen omstreden is. Zo heeft het Groningse College van Bestuur zich ertegen gekeerd. Niet zozeer vanwege de contradictio in terminis (‘bindend advies’), maar omdat men meer verwacht van intensievere begeleiding en verrijkte en versnelde studieprogramma’s.
De diverse maatregelen moeten ertoe leiden dat het percentage studenten dat na acht jaar een bul op zak heeft stijgt van 65 naar minstens 80.
Vrij besteedbaar budget
Voor onderzoek vraagt de VSNU 350 miljoen per jaar extra. Dit moet worden gestoken in grote onderzoeksfaciliteiten en in het inlopen van achterstanden bij kleine onderzoeksfaciliteiten, maar vooral in het verruimen van het vrij besteedbare (onderzoeks)budget. De universiteiten willen af van de situatie waarin NWO-onderzoek door de matchingverplichting beslag legt op hun eigen financiële ruimte. NWO-onderzoek zou integraal moeten worden gefinancierd en de universiteiten zouden meer budget moeten krijgen voor vernieuwing en eigen speerpunten.
Aantrekkelijke werkgever
Voor hun personeelsbeleid willen de universiteiten 250 miljoen euro per jaar meer. Daarmee willen ze de salarissen optrekken “om de branche weer concurrerend en aantrekkelijk als werkgever te kunnen maken” (150 miljoen), het aantal promovendi dat jaarlijks wordt aangesteld optrekken van 2000 naar 2500 (50 miljoen) en extra hoogleraars- en U(H)D-posten creëren (50 miljoen). “Er zijn gewoon meer plaatsen nodig voor universitaire (hoofd-)docenten en hoogleraren”, schrijft de VSNU.
Omdat voor zo’n tweederde van de promovendi geen loopbaan binnen de universiteit zal zijn weggelegd, wil de VSNU dat het promotietraject wordt verbreed met managementvaardigheden, oriëntatie op functies buiten de universiteit en een didactische training.
De universiteiten vragen verder 100 miljoen in vier jaar om voor kennisbenutting (‘valorisatie’) structurele innovatiefondsen op te kunnen zetten. Ook moet er meer geld komen om het Nederlandse hoger onderwijs aantrekkelijker te maken voor buitenlandse studenten en docenten.
In het spoor van de VAWO
De beloning van wetenschappers op universiteiten, onderzoekinstellingen en universitaire medische centra is jaar op jaar achtergebleven bij die in het bedrijfsleven. Talentvolle jongere wetenschappers moeten fatsoenlijke carrièreperspectieven krijgen en niet als oud vuil buiten worden gezet op het moment dat ze in aanmerking dreigen te komen voor een vaste aanstelling. In overlegsituaties en publicaties en met eigen onderzoek heeft de VAWO er onnoemelijk vaak op gehamerd dat dit niet alleen de betrokkenen, maar ook de Nederlandse wetenschap in zijn geheel ernstig schaadt.
Het is verheugend te kunnen constateren dat de VSNU in haar position paper Kansen voor kennis het spoor van deze ‘VAWO-stokpaardjes’ heeft gekozen.
Enkele citaten:
''Jonge onderzoekers zijn de innovatoren van morgen. (…) Meer jonge onderzoekers betekent echter ook dat hen een goede loopbaan moet worden geboden. Alleen dan is het aantrekkelijk voor getalenteerde jonge mensen om het onderzoekspad op te gaan. Voor een gepromoveerde is er momenteel nog wel de mogelijkheid van een postdocschap, en misschien nog een tweede. Daarna hebben de universiteiten echter weinig mogelijkheden en biedt het buitenland vaak meer perspectief. Er zijn daarom gewoon meer plaatsen nodig voor universitaire (hoofd)docenten en hoogleraren.”
''Daarnaast is het belangrijk dat de maatschappij laat blijken dat universitaire functies gewaardeerd en beloond worden. Alleen dan zullen de beste wetenschappers hun talenten binnen de Nederlandse universiteiten inzetten. (…) Het is daarom van belang dat de universiteiten een salaris kunnen bieden dat concurrerend is op de arbeidsmarkt.”
''Toch zal het ook dan moeilijk blijven om echt talent voor de universiteiten te behouden. Het bedrijfsleven trekt vaak met mooie perspectieven. Een ‘tenure track’ biedt hier uitkomst.”
Kansen voor kennis, Prioriteiten van de universitaire branche voor de kabinetperiode 2007–2011 kan worden gedownload van www.vsnu.nl.
|