VAWO Vakbond voor de wetenschap

Nieuwe wet op het hoger onderwijs en onderzoek: minder regels, meer verantwoording

De wetgevingsnotitie ‘Naar een nieuwe wet op hoger onderwijs en onderzoek’ is een feit. Begin februari hebben minister Van der Hoeven en staatssecretaris Rutte in een brief aan de Tweede Kamer de contouren geschetst van een nieuwe Wet op het hoger onderwijs en onderzoek. De ministerraad heeft inmiddels met dit voorstel ingestemd en de wet zal in 2007 in werking treden.

 

Waarom een nieuwe wet?

Nederland moet een toonaangevende kenniseconomie worden. Niemand kan daar bezwaar tegen hebben, maar de vraag is natuurlijk hoe doe je dat, wie zorgt daarvoor en wie gaat dat betalen? Een kenniseconomie kan immers niet zonder hoogopgeleide mensen en een hoogwaardige kennisinfrastructuur. Al snel bleek dat de overheid verwacht dat de hogescholen en universiteiten dit realiseren. Uiteraard in samenwerking met het bedrijfsleven, want zij zijn de toekomstige werkgevers van de studenten, en de afnemers van de kennis en kunde. En, niet geheel onbelangrijk: zij beschikken over financiële middelen. De overheid, (nog steeds) grootste financier van het hoger onderwijs en onderzoek, neemt haar maatschappelijke verantwoordelijkheid en produceert een nieuwe wet om de universiteiten en hogescholen in hun zware taak te ondersteunen.

 

Geschiedenis WHW

In den beginne was er de Wet op het wetenschappelijk onderwijs (WWO) en de Wet op het hoger onderwijs (WHBO). Onder het regime van deze wetten hadden universiteiten en HBO-instellingen in het algemeen toestemming van de minister nodig om initiatieven te nemen. In 1985 zag de toenmalige minister van Onderwijs en Wetenschappen Deetman dat dit geen goede praktijk was en hij bracht de beleidsnota ‘Hoger onderwijs: kwaliteit en autonomie’ (HOAK-nota) uit. Ruimte voor initiatieven van universiteiten en hogescholen werd het uitgangspunt. Toetsing vooraf werd vervangen door evaluatie achteraf en er werd uitgegaan van een zelfregulerend systeem waarbij de overheid alleen indien nodig beleid voerde als aanvullende sturing. Vanuit deze nota is in 1993 de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) ontstaan. Met het ontwerpen van een nieuwe Wet hoger onderwijs wordt de trend van zelfregulering en zelfsturing verder doorgezet.

 

WHW een misbaksel?

In de vijftien jaar van haar bestaan heeft de WHW zich ontwikkeld tot een wet met meer dan 400 artikelen en is ze ongeveer 90 keer gewijzigd. Dit kwam vooral doordat de maatschappelijk ontwikkelingen elkaar in rap tempo opvolgden, zodat de wet constant aangepast moest worden. Dat gaf veel bureaucratische rompslomp. Om niet steeds achter de muziek aan te blijven hollen, is besloten om de maatschappelijk ontwikkelingen niet in de wet vast te leggen. In plaats daarvan wordt in de wet aangegeven wat de verantwoordelijkheden van de instellingen zijn en aan welke criteria zij moeten voldoen, maar de instellingen beslissen zelf hoe zij dit invullen.

De instellingen moeten periodiek aantonen dat zij aan hun verantwoordelijkheden voldoen. Zo moet bijvoorbeeld verantwoording worden afgelegd over de bestedingen van middelen, het uitoefenen van goed bestuur en de inrichting van de organisatie. Ook moeten de instellingen actief informatie verschaffen aan alle belanghebbende partijen. De overheid komt op een grotere afstand te staan en er komt een meer autonomie voor de instellingen. De overheid hoopt op die manier dat de regelgeving duurzaam is en nieuwe regelcomplexen worden voorkomen. Wel blijft de overheid verantwoordelijk voor de toegankelijkheid van onderwijs, het kwaliteitsniveau van het onderwijs en de doelmatige besteding van overheidsmiddelen.

De praktijk moet uitwijzen of deze aanpassingen leiden tot de gewenste effecten. Het gevaar bestaat dat instellingen hun verantwoordelijkheid niet nemen of anders interpreteren dan de bedoeling is. Uit de medezeggenschapspraktijk zijn nu al talloze voorbeelden te noemen van instellingen die middels strikte regelgeving ‘gedwongen’ moeten worden om hun verantwoordelijkheid te nemen. Vervolgens wordt op instellingsniveau alles weer dichtgeregeld.

 

Veranderingen in de wet

De nieuwe wet moet niet alleen duurzamer zijn, minder bureaucratie opleveren en universiteiten en hogescholen meer gelegenheid geven om eigen initiatieven te tonen. De minister wil ook de betrokkenheid van de student bij het hoger onderwijs vergroten. Aan de positie van de student wordt daarom in de nieuwe wet veel aandacht besteed. De instellingen moeten de studenten meer bij het onderwijs(beleid) gaan betrekken. Hoe dat moet gebeuren en of de maatregelen gaan helpen is nog de vraag.

De nieuwe wet gaat uit van domeinen in plaats van opleidingen. Het idee daarachter is dat studenten meer zeggenschap hebben over de vaststelling van hun eigen leerroute. Toch blijven er regels gelden waaraan de gevolgde opleiding moet voldoen. Het is dus afwachten of de studenten niet blij worden gemaakt met een dode mus. De kwaliteitstoetsing van het onderwijs middels accreditatie zal gebeuren op het niveau van domeinen. Hierin schuilt het gevaar dat accreditatiecommissies steeds verder van de praktijk komen te staan. Extra aandacht voor de kwaliteitscontrole van het onderwijs is geen overbodige luxe.

Op dit moment hebben universiteiten geen mogelijkheid om hun ambtelijke status (openbare instelling) in te ruilen voor een privaatrechtelijke status (bijzondere instelling). Hogescholen konden dat wel. Momenteel is er nog maar één openbare hogeschool. Het uitgangspunt in de nieuwe wet is: zo min mogelijk onderscheid maken tussen universiteiten en HBO-instellingen. De regels moeten zo veel mogelijk aansluiten bij algemene wettelijke regimes (Burgerlijk Wetboek) en zo min mogelijk bijzondere regels omvatten. De verwachting is dat meeste openbare universiteiten een bijzondere universiteit willen worden. De Rijksuniversiteit Groningen heeft in ieder geval aangegeven een openbare universiteit te willen blijven.

Regels met betrekking tot het arbeidsvoorwaardenbeleid voor het personeel van het hoger onderwijs zullen in de wet niet meer terugkomen. Er is volgens de overheid geen reden om voor de hoger-onderwijsinstellingen in de toekomst af te wijken van de wettelijke regelingen die in het overige deel van de samenleving van toepassing zijn. Dit laat onverlet dat de CAO-afspraken gewoon blijven gelden en dat de ambtenarenstatus mogelijk blijft.

Het onderscheid tussen het hoger beroepsonderwijs en de universiteiten blijft gehandhaafd. In de toekomst zijn fusies tussen hogescholen en universiteiten wel mogelijk. De beslissing tot het aangaan van fusies wordt in beginsel aan de instellingen overgelaten, onder de voorwaarde dat dit de ontwikkelingsmogelijkheden van de studenten niet belemmert. Verder moet bezien worden of er extra toezicht nodig is ter voorkoming van bijvoorbeeld ongewenste mededingingsrechtelijke effecten van fusie. De huidige financiële vrijheidgraden (bestedingsvrijheid voor de lumpsum) blijven grondbeginselen voor de nieuwe wetgeving.

De salarissen van de leden van Colleges van Bestuur worden voortaan in het jaarverslag openbaar gemaakt.