VAWO Vakbond voor de wetenschap

(Het akkoord is op 14 december door partijen aanvaard.)

 

Akkoord CAO-UMC 2005-2007 

 

1 Looptijd en beloning

De CAO-UMC heeft een looptijd van 1 juni 2005 tot 1 juni 2007.

In december 2005 wordt de eindejaarsuitkering structureel met 0,75% verhoogd.

Per 1 april 2006 wordt een structurele loonsverhoging toegekend van 1,5%.

Per 1 januari 2007 wordt een structurele loonsverhoging toegekend van 0,7%.

 

2 Studie-afspraak Pensioensituatie UMC’s

Partijen betrokken bij de CAO UMC onderkennen de problematiek van de sector UMC’s op pensioen gebied.

De sector UMC’s zijn de enige overheidssector die moet concurreren met overige zorginstellingen, maar wel te maken heeft met een ander pensioenregime.

Het verschil in pensioenregime leidt tot een verschil in pensioenlasten ontwikkeling. Daarnaast blijkt de financiële problematiek voor de UMC’s uit een netto betalerschap van circa 2% van de bruto loonsom aan overige overheidssectoren.

Verder zijn er inhoudelijke bezwaren doordat ABP regelingen onvoldoende rekening houden met de specifieke personeelssamenstelling binnen de UMC’s en de ontwikkelingen binnen de gezondheidszorg.

CAO partijen constateren dat er geen uitzicht bestaat op sectoralisatie (zowel financieel als inhoudelijk) binnen het ABP.

Er bestaan geen principiële bezwaren tegen uittreding uit het ABP om financieel en inhoudelijk tot een beter op de UMC’s afgestemde pensioenregeling te komen. Wel zal een en ander afhankelijk zijn van de nadere condities en voorwaarden die worden gesteld aan een dergelijke overgang.

De NFU zal met betrokken partijen overleg voeren over mogelijke oplossingsrichtingen. Centrales zullen partij zijn bij het formuleren van de overgangscriteria en de keuze van de pensioenuitvoerder.

CAO partijen streven ernaar om een en ander medio 2006 af te ronden. De tijdsplanning is mede afhankelijk van de voortgang in het voortraject, waarbij de NFU in overleg treedt met overige betrokken partijen.

 

3 Arbeidstijdenbesluit

Vanwege het uitblijven van een aanpassing van de Europese richtlijn heeft de minister van SZW een wijzigingsvoorstel ingediend m.b.t. het Arbeidstijdenbesluit om deze aan te passen aan het Kiel/Jaeger arrest. In strijd met dit arrest worden de niet actieve aanwezigheidsuren (slaapuren) nu aangemerkt als rusttijd.

CAO partijen wachten de landelijke discussie en wijzigingen in wet- en regelgeving af.

Partijen zijn het eens dat de wijzigingen van het Arbeidstijdenbesluit tijdens de looptijd van de CAO niet zullen leiden tot aantasting c.q. wijziging van de bestaande personele inzet en bescherming van de medewerkers. Zodra de wijzigingen bekend zijn zal een technische werkgroep de vertaalslag maken naar de arbeidstijdenregelingen in de CAO.

 

4 Aios

Voor 1 juli 2006 zullen verschillen in arbeidsvoorwaardenregelingen met die van de CAO ziekenhuizen in kaart worden gebracht. Daarbij wordt ondermeer betrokken, salaris, ORT, arbeidsduur en studiekosten alsmede mogelijke verschillen in productie en onderwijs tussen de UMC’s en algemene ziekenhuizen. Wanneer er duidelijkheid bestaat over het Opleidingsfonds en de gevolgen hiervan qua vorm en inhoud voor het opleiden van aios, zal daarover door de NFU aan centrales worden gerapporteerd en wordt dit in het LOAZ besproken. De gevolgen voor het arbeidsvoorwaardenregime kunnen worden besproken in de komende CAO.

 

5 Levensloop en seniorenbeleid tot 1 april 2007

Verwezen wordt naar bijlage “Levensloop en Seniorenbeleid”, NFU-nr. 053441.

De hoofdelementen zijn:

Een studie naar mogelijke vervanging van huidige arbeidsvoorwaarden naar levensloop.

De drie seniorenregelingen die lopen tot 1 april 2007, worden aangepast aan de gewijzigde FPU-regelgeving.

Er komt voor alle medewerkers een werkgeversbijdrage van 1,05% van het salaris in de levensloopregeling. Op 1 januari 2007 wordt het opgespaarde bedrag over heel 2006 uitgekeerd (exclusief 0,05% rendementsuitkering).

 

6 Wijziging seniorenbeleid vanaf 1 juni 2007

CAO-partijen komen overeen dat de mogelijkheid om in te stromen in de drie seniorenregelingen, genoemd in artikel 12.4.1 en 12.4.2 en 6.1.4, verlengd wordt tot 1 juni 2007.

Partijen hebben bij de CAO 2002-2004 de afspraak gemaakt dat vanaf 1 april 2007 maximaal 1,75% van de loonsom beschikbaar is voor toekomstig seniorenbeleid. Dit percentage is nu beschikbaar op 1 juni 2007.

Ongewijzigde voortzetting van de huidige seniorenregelingen is na 1 juni 2007 niet mogelijk vanwege fiscale regelgeving inzake VUT, prépensioen en levensloop, en sterke toename van de doelgroep die in aanmerking komt voor de huidige regelingen, waardoor het financiële beslag op de regelingen buiten het financiële kader valt.

Partijen spreken af in de volgende CAO afspraken te maken over een aangepast seniorenbeleid, dat past binnen de volgende randvoorwaarden:

Het maximale kostenbeslag voor de werkgever bedraagt 1,75% van de loonsom;

Een hoger kostenbeslag dan 1,75% komt uit de arbeidsvoorwaardenruimte en/of een bijdrage van de werknemers

Het voldoet aan fiscale kaders zodat geen extra fiscale heffingen worden opgelegd;

Het voldoet aan een objectief gerechtvaardigd doel waarbij de regeling passend en noodzakelijk is;

Er wordt rekening gehouden met de ontwikkeling in de leeftijdsopbouw binnen de UMC’s;

De regeling draagt bij aan wederkerigheid, eigen verantwoordelijkheid en individuele keuzemogelijkheden;

Het moet aansluiten bij een systeem van flexibele pensionering.

Bij de discussie over het toekomstige seniorenbeleid zal tevens betrokken worden het werken in onregelmatige diensten voor medewerkers van 55 jaar en ouder en de mogelijkheden van flexibilisering en individuele keuzemogelijkheden.

Indien in de fiscale faciliëring van prépensioen aparte afspraken mogelijk zijn voor slijtende beroepen dan zullen deze bij de afspraken worden betrokken.

 

7 Ziektekosten

Partijen zijn de volgende aanvullende afspraken overeengekomen m.b.t. de UMC
Zorgverzekering:

- De pakketten van de aanvullende verzekeringen bestaan uit de huidige pakketten, inclusief hetgeen niet langer in de basisverzekering gedekt wordt en wel onder de basisdekking van de IZA/AZ verzekering valt.

- Jaarlijks zullen partijen in het najaar, voorafgaande aan de Bestuursvergadering waarin de ziektekostenpremies worden vastgesteld, in een LOAZ-vergadering besluiten over de aanwending van het (rendement op) vermogen.

De afbouw van de compensatieregelingen zoals vermeld in artikel 9.6.2 en de compensatieregeling ZKAZ zoals vermeld in artikel 9.6.3 worden gecontinueerd vanwege de inkomensgevolgen voor een groot deel van de medewerkers van de UMC’s.

De ZVOO voor postactieven van vóór 1 oktober 2002 wordt per 1 januari 2006 beëindigd, daar de ratio voor deze regeling is komen te vervallen met het opheffen van het onderscheid tussen particulier en ziekenfonds verzekerden. Voor hen geldt een eenjarige overgangsregeling (conform de systematiek bij de sector onderwijs) waarover betrokkenen worden geinformeerd.

 

8 WIA

Alle onderdelen van de CAO-UMC die een relatie hebben met ziekte en arbeidsongeschiktheid zullen worden aangepast aan de vervanging van de WAO door WIA. Hierbij zal tevens worden betrokken de gewijzigde regelgeving inzake een aan zwangerschap gerelateerde ziekteperiode tijdens de eerste twee ziektejaren.

Medewerkers die vanaf 1 januari 2006 onder de nieuwe regelgeving minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn, worden op grond van hun arbeidsongeschiktheid niet ontslagen, tenzij de medewerker zich niet coöperatief opstelt bij de aanpassing van werkzaamheden of bij het vinden van een andere baan.

Voor medewerkers die vanaf 1 januari 2006 onder de nieuwe regelgeving tussen de 35 en 80%  arbeidsongeschikt worden verklaard spant de werkgever zich in om de resterende arbeidscapaciteit in te zetten. Indien geen arbeid binnen het UMC kan worden gevonden, zal de inspanningsverplichting zich richten op werk buiten het UMC. Wanneer een gedeeltelijk arbeidsongeschikte medewerker intern en extern niet kan worden herplaatst dan kan dit aanleiding vormen voor (deeltijd)ontslag.

Voor wat de inkomenspositie betreft wordt het overleg in de Pensioenkamer van de ROP afgewacht en de uitkomst van de Advies- en Arbitrage-procedure. Partijen spreken wel af dat er een vangnetbepaling komt waarbij minimaal 70% van het minimumloon wordt uitgekeerd.

De medewerker die ten gevolge van een vervroegde keuring volledig arbeidsongeschikt wordt verklaard volgens de IVA ontvangt in het eerste ziektejaar 100% van zijn bezoldiging.

De (premie)kosten voor de WGA zullen vanaf 1 januari 2006 conform het Najaarsakkoord 2004 voor 50% door de medewerkers worden betaald. Wettelijk (Invoeringswet WIA en Wet financiering Sociale Verzekeringen) wordt geregeld dat de werkgever 50% van de WGA-premie kan verhalen op de medewerker. In geval van eigen risicodragerschap zal een fictieve premie worden bepaald als basis voor de werknemersbijdrage. Indien nodig wordt deze afspraak in de CAO bevestigd.

De afspraken m.b.t. de arbeidsongeschiktheidscategorie onder de 35% en de premieverdeling WGA zullen voor 1 januari 2010 worden geëvalueerd en in het LOAZ worden besproken.

 

9 RBWAZ

Vanaf het moment dat de nieuwe WW van kracht wordt geldt de volgende bovenwettelijke regeling:

A. Gedurende de WW-periode:

Over het inkomen boven het maximum dagloon voor de werknemersverzekeringen ontvangt de betrokkene een uitkering conform het WW-uitkeringspercentage (gedurende de eerste twee maanden 75% en daarna 70%).

B. Aansluitende periode

Medewerkers in vaste dienst bouwen per dienstjaar 1 maand uitkeringsrecht op.

Medewerkers komen alleen in aanmerking voor een aansluitende uitkering bij een dienstverband van minimaal 5 jaar.

De uitkeringshoogte bedraagt 70% van het loon berekend conform de dagloonregels, tot de bestaande gemaximeerde berekeningsgrondslag (max. schaal 12).

Medewerkers van 54 jaar en ouder met minimaal 10 dienstjaren hebben recht op een aansluitende uitkering tot 65 jaar.

Medewerkers met een tijdelijk dienstverband of een dienstverband voor de duur van een opleiding komen niet in aanmerking voor een aansluitende uitkering. Indien dergelijke dienstverbanden worden voortgezet in een dienstverband voor onbepaalde tijd, dan wordt de dienstijd berekend over de totale duur van de dienstverbanden.

Voor de diensttijd telt de diensttijd bij het UMC en haar rechtsvoorgangers (o.a. medische faculteit) en perioden waarin men vanuit het UMC gedetacheerd is.

 

10 CAO à la Carte

Aan artikel 18.3 lid 1 (geld voor aanspraken in natura) wordt aan de vermelde doelen toegevoegd dat dit niet een limitatieve opsomming betreft. Lokaal kan de Raad van Bestuur besluiten om hier extra doelen aan toe te voegen. Overeenstemming hierover met de Ondernemingsraad is vereist en tevens is voor uitbreiding van de doelen goedkeuring van de belastingdienst een vereiste. Als mogelijk extra doel kan worden aangemerkt woon-werkverkeer.

 

11 Ontslagvolgorde reorganisatie

De ontslagvolgorde genoemd in artikel 12a.8 voor de private huizen (VUmc en UMC st. Radboud) wordt vervangen door een verwijzing naar de ontslagvolgorde, genoemd in het Ontslagbesluit BBA (Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen).

Bij de ontslagvolgorde bij reorganisaties in openbare huizen genoemd in artikel 12.8 wordt vanaf

1 januari 2006 onder dienstjaren uitsluitend verstaan jaren die een medewerker in dienst is geweest bij het desbetreffende UMC of één of meerdere van haar rechtsvoorgangers.

 

12 Nevenwerkzaamheden

 Artikel 9.3 Nevenwerkzaamheden  komt met ingang van 1 januari 2006 als volgt te luiden:

De medewerker heeft geen voorafgaande toestemming van de werkgever nodig voor het aanvaarden of verrichten van nevenwerkzaamheden, tenzij deze nevenwerkzaamheden het belang van het UMC en/of een goede functie-uitoefening kunnen raken.

De werkgever verleent toestemming voor nevenwerkzaamheden, indien naar zijn oordeel het verrichten van deze nevenwerkzaamheden niet schadelijk kan zijn voor het belang van het UMC en/of voor een goede functie-uitoefening. Indien het belang van het UMC daarmee is gediend, kan de werkgever erin toestemmen dat de medewerker zijn nevenwerkzaamheden geheel of gedeeltelijk verricht tijdens de voor hem geldende werktijd.

De werkgever verleent zijn toestemming voor bepaalde of onbepaalde tijd en kan daaraan nadere voorwaarden verbinden. Een voorwaarde kan zijn dat de medewerker de inkomsten die hij uit zijn nevenwerkzaamheden geniet geheel of gedeeltelijk afdraagt aan de werkgever. Deze voorwaarde kan worden gesteld voor  de inkomsten die een bedrag van 2200 euro per jaar te boven gaan en verworven zijn uit werkzaamheden die in het verlengde liggen van de functie bij het UMC.

De werkgever kan de verleende toestemming intrekken als zich naar zijn oordeel een wijziging voordoet in de omstandigheden waaronder de toestemming is verleend.

Indien blijkt dat de medewerker zonder toestemming nevenwerkzaamheden verricht of heeft verricht waarvoor krachtens het eerste lid toestemming is vereist, stelt de werkgever de medewerker in de gelegenheid deze toestemming alsnog te vragen. Wordt de toestemming niet verleend dan kan de werkgever de medewerker, onverminderd het bepaalde in artikel 11.1 (plichtsverzuim), opdragen deze werkzaamheden te beëindigen en/of de genoten inkomsten af te dragen aan de werkgever.

De werkgever kan voor de administratieve uitvoering van het bepaalde in dit artikel nadere regels vaststellen in overleg met de ondernemingsraad.

Aan artikel 3.3.1.1, eerste lid, (onderwerpen jaargesprek) wordt met ingang van 1 januari 2006 het volgende sub g toegevoegd:

g nevenwerkzaamheden waarvoor toestemming nodig is op basis van artikel 9.3 (nevenwerkzaamheden).

 

13 Dienstreizen

Vanaf 1 januari 2006 wordt de vergoeding voor dienstreizen genoemd in artikel 5.1.3 verhoogd naar € 0,28 per kilometer.

In de CAO wordt een kapstokbepaling opgenomen waardoor een uitruil mogelijk wordt tussen woon-werk kilometers en dienstreis kilometers, zodat bij voldoende fiscale onderbenutting van de vergoeding  woon-werk verkeer de dienstreis vergoeding onbelast kan worden opgehoogd tot € 0,28 per kilometer. Er zal worden gekeken naar een administratieve afhandeling, die voor de werkgever zo eenvoudig mogelijk is.

 

14 Kinderopvang

Alle UMC’s zullen uiterlijk 1 januari 2007 voldoen aan de wettelijke aanbeveling van een werkgeversbijdrage van 1/6 deel van de kosten van kinderopvang (met een maximum van het uurtarief, zoals dat jaarlijks door de overheid wordt vastgesteld).

Vanaf 1 januari 2006 wordt als doel in artikel 18.3 lid 1 (geld voor aanspraken in natura) toegevoegd de eventueel ontbrekende werkgeversbijdrage tot 1/3 e deel van de kosten van kinderopvang (met maximum uurtarief).

Vanwege de voorgestelde studie rond substitutie en levensloop worden thans geen nadere afspraken gemaakt over de mogelijke inzet van bovenwettelijke vakantiedagen voor de ontbrekende werkgeversbijdrage voor kinderopvang.

 

15 Salarisschalen leerlingen

Artikel 16.6.2 wordt vanaf 1 januari 2006 in die zin aangepast dat een periodieke verhoging pas na één jaar kan ingaan, ook wanneer de leerperiode minder dan één jaar bedraagt.

In bijlage D krijgt schaal A met ingang van 1 januari 2006 een vierde periodiek van € 1600,-. Verwijzing naar leerperiodes wordt in de bijlage D geschrapt.

 

16 Leer-werktrajecten

UMC’s doen reeds veel aan opleidingen. Alle UMC’s onderhouden contacten met hun gemeente over een mogelijke bijdrage aan bestrijding van jeugdwerkloosheid. In een aantal UMC’s worden thans in dat kader concrete projecten uitgevoerd. De UMC’s zullen zich in 2006 inspannen om in totaal 80 leer-werktrajecten te creëren met als doel het verkrijgen van startkwalificaties van jongeren, waardoor hun kansen op de arbeidsmarkt toenemen.

 

17 Indexatie kostenvergoedingen

De dagcomponent zoals omschreven in artikel 5.1.4 lid 5 wordt met ingang van 1 januari 2006 verhoogd naar € 2,75 (mits dit fiscaal niet op belemmeringen stuit).

In de LOAZ-afsprakenlijst zal worden opgenomen dat periodiek naar mogelijke indexatie van kostenvergoedingen wordt gekeken.

 

18 Bijlage M

In de nieuwe CAO worden een aantal afspraken uit bijlage M gecontinueerd, te weten:

- investeren in arbeidsomstandigheden

- loopbaanontwikkeling

- verpleegkundig advies

 

19 Veilige zorg

In de LOAZ afsprakenlijst zal worden bevestigd dat deelname door alle UMC’s aan het project “Veilige Zorg” nader punt van overleg vormt tussen partijen in de BBC van het Arboplusconvenant en dat tevens gekeken wordt naar financiering vanuit SoFoKles.

 

20 Stofkamoperatie

Redactionele aanpassingen van de CAO-AZ die zijn voorbereid door een paritair samengestelde commissie zullen tijdens het LOAZ d.d. 8 december 2005 definitief worden vastgesteld.

De ACOP, AC en  CCOOP zullen het bereikte onderhandelaarsakkoord met een positief advies voorleggen aan hun achterbannen. De CMHF zal het akkoord neutraal voorleggen.

 

Utrecht, 15 november 2005

NFU, E. Mulder

 

ACOP, A. Vink

CMHF, H. Vankan

AC, A. Eikenboom

CCOOP, J. van den Doel