|
 
NIEUWSBRIEF CMHF/VAWO sector WO februari 2005
voor CMHF/VAWO-vertegenwoordigers bij universiteiten, onderzoekinstellingen en universitaire medische centra
redactie: Christelien Timpers en Rachel van Wijngaarden
Stand van zaken ledenwerving
Selectie op kwaliteit
Ontwikkelingen sociale zekerheid
Ontwikkelingen (pre)pensioen
Nieuw ziektekostenstelsel
Van WOR naar WMW
Nieuwe wet op het hoger onderwijs en onderzoek
In januari is de VAWO gestart met diverse ledenwerfacties. Mede dankzij de inzet van de leden zijn er tot nu toe 27 aanmeldingen binnengekomen. Het heeft dus wel degelijk zin om collega’s te benaderen om lid te worden.
In de nieuwe VAWO Visie heeft u kennis kunnen nemen van de nieuwe contributiebedragen. Voor promovendi die lid willen worden geldt een aantrekkelijke aanbieding. Promovendi die zich in 2005 aanmelden als lid betalen dit jaar €5,- per maand, met een maximum van €55,- voor het hele jaar. Volgend jaar betalen zij volgens de algemene regeling. Leden met een tijdelijke aanstelling krijgen voortaan 25% korting op de contributie.
De laatste tijd krijgen de werknemersorganisaties steeds vaker te maken met werkgevers die bij een reorganisatie met gedwongen ontslagen af willen wijken van de ontslagvolgorde op grond van anciënniteit (ouderdom in aantal dienstjaren) en/of het afspiegelingsbeginsel. De CAO Nederlandse Universiteiten biedt de ruimte om in het belang van de organisatie van de ontslagvolgorde af te wijken, na overleg met de OR (bijzondere universiteiten) of het LO (openbare universiteiten). Ook de CAO Onderzoekinstellingen en de CAO Academische Ziekenhuizen kent deze mogelijkheid. Bij het anciënniteitsbeginsel wordt per instelling/organisatie-eenheid en per categorie uitwisselbare functies bepaald dat werknemers met het kortste dienstverband het eerst voor ontslag in aanmerking komen. Als tien of meer werknemers met ontslag bedreigd zijn, kan de werkgever ervoor kiezen dit beginsel per leeftijdsgroep toe te passen (afspiegelingsbeginsel).
Recentelijk heeft het bestuur van de VAWO zich uitgesproken tegen het lifo-systeem (last in, first out), omdat een dergelijk principe niet verenigbaar is met het algemene streven van de VAWO naar kwaliteit in het wetenschappelijk onderwijs. In plaats van het lifo-systeem zou de VAWO in principe uit willen gaan van het "best in, worst out" (biwo)-principe, waarbij heldere criteria worden gebruikt om die kwaliteit te meten (citatiescores, werfkracht, onderwijsevaluaties, bestuurlijke activiteiten, invited lectures, etc.). De voordelen van dit kwaliteitsprincipe zijn evident: geen discriminatie meer op leeftijd, meer innovatie in het onderzoek, meer kansen voor talent en minder vergrijzing. Graag horen wij wat u vindt van vervanging van het “last in first out-systeem” door het “best in worst out-systeem”.
- Ontwikkelingen sociale zekerheid
Het wordt steeds duidelijker dat de overheid de toegang, hoogte en duur van de WAO en de WW wil beperken. Wat betreft de WW is de vervolguitkering afgeschaft en liggen de voorstellen van het kabinet voor aanpassingen van de WW en versoepeling van het ontslagbeleid al op de plank. Het kabinet wacht op dit moment op het advies van de SER.
Wat betreft de WAO staat ons een heel nieuw stelsel te wachten, de nieuwe wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA) gaat in op 1/1/2006. In dit nieuwe stelsel zijn drie groepen te onderscheiden:
- mensen die 80% of meer arbeidsongeschikt zijn
- mensen die 35 tot 80% arbeidsongeschikt zijn
- mensen die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn.
De eerste groep ontvangt op basis van de IVA (regeling Inkomensvoorziening Volledig en duurzaam Arbeidsongeschikten) een uitkering, die naar verwachting uitkomt op 75% van het salaris. Voor de andere twee groepen geldt dat de overheid hen stimuleert om zoveel mogelijk te werken. Groep 2 krijgt in aanvulling op het salaris dat ze nog verdient een uitkering op basis van de WGA (regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten). Groep 3 krijgt geen aanvulling op het inkomen. Indien mensen in deze groep er als gevolg van hun arbeidsongeschiktheid in inkomen op achteruit gaan, kunnen ze een beroep doen op de WW. Daarnaast wordt het schattingsbesluit, waarmee bepaald wordt of iemand arbeidsongeschikt is en voor welk percentage, aangescherpt. Ook wordt iedereen die op dit moment arbeidsongeschikt is opnieuw gekeurd. De herbeoordeling geldt niet voor mensen van 50 jaar en ouder.
Op dit gebied willen de VSNU en WVOI: loondoorbetaling in het tweede ziektejaar verlagen naar 70%, versobering van de bovenwettelijke sociale zekerheid en een beleid voor werkloze en zieke/arbeidsongeschikte werknemers dat meer gericht is op reïntegratie dan op behoud van inkomen.
- Ontwikkelingen (pre)pensioen
Per 1/1/2006 vervalt de fiscale facilitering van VUT en prepensioen. Voor werknemers die op 1/1/2005 55 jaar en ouder zijn geldt een overgangsregeling: zij vallen nog onder de oude fiscale regels.
In het overleg tussen het kabinet en de sociale partners van najaar 2004 zijn afspraken gemaakt over het nieuwe fiscale kader voor (pre)pensioen en levensloop. Ook zijn partijen nieuwe combinaties voor de franchise en het opbouwpercentage voor pensioen overeengekomen. Afgesproken is dat het gespaarde levenslooptegoed voorafgaand aan het pensioen opgenomen mag worden. En dat werknemers maximaal 12% van hun jaarsalaris mogen sparen tot een totaal van 210% van het jaarsalaris. Met dit spaartegoed kan een werknemer op 62-jarige leeftijd tegen 70% van het salaris stoppen met werken.
Werknemers die op 1/1/2005 tussen de 50 en 55 jaar zijn krijgen fiscale ruimte voor een hogere inleg in de levensloop. Naast prepensioen kan de levensloop voor allerlei soorten verlof gebruikt worden (studie, zorg etc.). Werknemers moeten jaarlijks kiezen voor deelname aan het spaarloon of de levensloop. De werkgever kan een bijdrage leveren aan de levensloop, maar is dan verplicht deze bijdrage ook te geven aan de werknemers die niet deelnemen aan de levensloop (cash). De regeling wordt uitgevoerd door banken, verzekeraars en fondsen.
Nieuwe fiscale ruimte voor (pre)pensioen
Het kabinet biedt werknemers de mogelijkheid extra ouderdoms- en nabestaandenpensioen (OP/NP) in te kopen tot maximaal 100% van het salaris, zodat gaten uit het verleden kunnen worden gedekt. Het opgebouwde OP/NP mag gebruikt worden voor prepensioen. Het naar voren halen van een deel van het OP/NP leidt natuurlijk wel tot een lagere uitkering op de pensioengerechtigde leeftijd.
Iets nieuws dat kabinet en sociale partners hebben bedacht is het 40-deelnemingsjarenpensioen. Dit is oorspronkelijk bedoeld om tegemoet te komen aan de vraag van vakbonden om prepensioen voor fysiek zware beroepen mogelijk te maken. Het gaat dan meestal om laaggeschoolde beroepen, waarin mensen op jonge leeftijd beginnen en voor hun 65ste aan 40 deelnemingsjaren komen. Dit pensioen garandeert een onvoorwaardelijk levenslang pensioen vanaf 63 jaar van 70% van het salaris bij 40 deelnemingsjaren (=daadwerkelijk gewerkte jaren waarover is opgebouwd). Het is mogelijk voor of na het 63ste levensjaar gebruik te maken van dit pensioen, waarbij een herberekening plaatsvindt (voor 63 leidt dit tot een lager percentage en na 63 tot een hoger percentage).
Op dit moment ontwikkelt het ABP een nieuwe prepensioenregeling die de huidige FPU gaat vervangen. Als bekend is hoe de nieuwe prepensioenregeling eruit gaat zien zullen CAO-partijen afspraken maken over aanpassing van de seniorenregeling in de CAO, die nu nog aansluit op de FPU. Werknemers kunnen nog tot 1/12/2005 deelnemen aan de huidige FPU-regeling van het ABP.
- Nieuw ziektekostenstelsel
Per 1 januari 2006 wordt de nieuwe basisverzekering voor ziektekosten ingevoerd. Deze ziektekostenverzekering komt in de plaats van het ziekenfonds, de particuliere ziektekostenverzekering en de publiekrechterlijke regelingen voor ambtenaren.
In de nieuwe wet kiest de verzekerde zelf bij welke zorgverzekeraar hij/zij zich verzekert. De voornaamste ‘keuze-elementen’ zijn:
- De hoogte van de nominale premie. De verzekerde is een nominale premie verschuldigd aan de zorgverzekeraar. Deze premie verschilt tussen zorgverzekeraars onderling, maar per zorgverzekeraar is er één nominale premie per polissoort. Iedereen met dezelfde polis betaalt dezelfde premie. Alle verzekerden betalen vanaf 18 jaar een nominale premie. Verzekerden tot 18 jaar zijn geen nominale premie verschuldigd. Volgens de huidige inzichten zal de gemiddelde nominale premie €1.105,- per jaar bedragen.
- De prestatiewijze waarop de zorgverzekeraar de verzekering uitvoert. De zorgverzekeraar kan in principe verschillende polissen aanbieden: een polis met vooraf gecontracteerde zorg, een polis met kostenvergoeding of varianten daarop. De verzekerde kan kiezen voor zorg in natura bij aanbieders waar de zorgverzekeraar contracten mee heeft, of een kostenvergoeding bij zelf gekozen aanbieders. De zorgverzekeraar moet iedere verzekeringsplichtige voor een aangeboden verzekeringsmodel accepteren.
- De hoogte van het eigen risico. In aanvulling op de no-claim (€250,-) kan een zorgverzekeraar een eigen risico aanbieden en de verzekerde kan daarvoor kiezen. Dit eigen risico kan oplopen tot €500,-. De zorgverzekeraar bepaalt de bijbehorende kortingen.
Voorts kan de zorgverzekeraar premiekortingen aanbieden voor collectieve contracten.
Met de invoering van de Zorgverzekeringswet komt er voor alle verzekerden één premieregime. Naast een inkomensafhankelijke bijdrage die door de belastingdienst wordt geïnd, betalen de verzekerden een nominale premie aan hun zorgverzekeraar. Om de financiële toegankelijkheid van de zorgverzekering in de toekomst te waarborgen, komt er een zorgtoeslag. Deze zorgtoeslag biedt een inkomensafhankelijke tegemoetkoming in de kosten van de bedoelde nominale premie. De premielast die uitgaat boven wat aanvaardbaar is, wordt via de zorgtoeslag gecompenseerd. Om de burger aan te sporen verzekeringspolissen van verschillende verzekeraars (op prijs) te vergelijken, zal niet de werkelijke premie die een verzekerde aan zijn zorgverzekeraar betaalt, maar het gemiddelde van de nominale premies zoals die zich in de markt voordoen, maatgevend zijn. De inkomensafhankelijke premie is 6% van het jaarsalaris tot een maximum van € 30.000. Bij een jaarsalaris van €30.000 komt de totale premie per verzekerde per jaar dus uit op 0,06x30.000+ 1105= €2905. Welk deel van deze premie door de werkgever vergoed wordt is nog onderwerp van overleg tussen CAO-partijen.
Volgens de berekeningen van de MHP (de vakcentrale waarbij de CMHF is aangesloten) blijkt dat in het nieuwe stelsel alleenverdieners met kinderen minder premie gaan betalen. Voor alleenstaanden zal de ziektekostenpremie in 2006 stijgen. Voor tweeverdieners met kinderen valt de premie in 2006 gunstig uit. Dit in tegenstelling tot tweeverdieners zonder kinderen, die fors meer gaan betalen. Voor gehuwde AOW’ers blijft de premie in 2006 min of meer op gelijk niveau. Terwijl alleenstaande AOW’ers fors meer gaan betalen.
Een ander ‘pijnpunt’ in het pakket is dat het voor ouderen, chronisch zieken en gehandicapten moeilijker wordt zich aanvullend te verzekeren. Het kabinet gaat uit van één wettelijk pakket, de rest van de zorg komt in het aanvullende pakket, waarvoor de acceptatieplicht niet geldt. Verzekeraars zullen niet gauw geneigd zijn om ‘mensen met een vlekje’ een aanvullende verzekering te bieden.
Minister De Geus heeft onlangs het wetsvoorstel Wet Medezeggenschap Werknemers (WMW) bekendgemaakt. De wet is bedoeld als opvolger van de Wet op de Ondernemingsraden (WOR). Uitgangspunt van de WMW is vereenvoudiging van de regelgeving en ruimte voor maatwerk. In de nieuwe wet is het mogelijk om bij CAO af te wijken van de wet en een andere structuur voor medezeggenschap af te spreken. De WOR biedt de mogelijkheid aan de OR om het instellen van commissies zelf regelen, in de WMW moet de werkgever daarvoor toestemming geven. Ook wordt het mogelijk dat de OR met de werkgever afspreekt om de bevoegdheden van de OR tijdelijk in te perken. De OR kan bijvoorbeeld de instemmingsbevoegdheid inruilen voor adviesbevoegdheid in ruil voor een ruimere reiskostenvergoeding. Dit lijkt ons geen goede ontwikkeling. In het wetsvoorstel wordt de duur van een dergelijke overeenkomst niet gemaximeerd, zodat een OR over de grens van de eigen zittingstermijn heen kan regeren. De minister stelt in de wet ook voor om één maal per jaar landelijke OR-verkiezingen te houden en de procedure te vereenvoudigen. Het wetsvoorstel wordt begin 2005 behandeld in de Tweede Kamer en in de tweede helft van 2005 in de Eerste Kamer. Per 1 januari 2006 moet de wet van kracht worden.
Nieuwe wet op het hoger onderwijs en onderzoek
In het Hoger Onderwijs en Onderzoeksplan (HOOP) 2004 was het voornemen opgenomen een nieuwe Wet op het hoger onderwijs en onderzoek te maken. Onlangs hebben minister Van der Hoeven en staatssecretaris Rutte de wetgevingsnotitie “Naar een nieuwe wet op het hoger onderwijs en onderzoek” gepresenteerd. Met de nieuwe wet wil het kabinet hogescholen en universiteiten meer ruimte geven bij de inrichting van het onderwijs. De nieuwe wet bevat minder regels, maar bevat nog steeds kaders waarbinnen de instellingen, docenten en studenten ruimte krijgen om initiatieven te ontwikkelen. De overheid zal zich meer richten op de resultaten en prestaties van de instellingen en zich minder bemoeien met de invulling van het onderwijs en onderzoek.
De wetgevingsnotitie bevat de uitgangspunten voor de nieuwe wet, die in 2007 in werking moet treden. De volledige wetgevingstekst is te vinden op: www.minocw.nl.
|