VAWO-lustrumsymposion 'Wetenschappelijk onderwijs: publiek goed... of kan het beter?' (14 maart 2003)
Wetenschap en wetenschappers
moeten weer centraal komen te staan
De Nederlandse universiteiten zijn afgedwaald van hun kern. In een omvangrijke en kostbare bureaucratische structuur zijn het managers, op grote afstand van het primaire proces van onderwijs en onderzoek, die het tegenwoordig voor het zeggen hebben in plaats van wetenschappers. Ze jagen, geïnspireerd door de bekostigingsfilosofie van OCenW, op studentenaantallen en schijnbaar studierendement, en lijken meer waarde te hechten aan prestigieuze nieuwbouw dan aan een aanlokkelijk personeelsbeleid. Hoog tijd om de wetenschap en de wetenschappers weer centraal te stellen. Dat was de teneur die uit VAWO-lustrumsymposion van 14 maart jl. sprak.
Het symposion ter gelegenheid van ‘veertig jaar VAWO’ lokte een zeventigtal belangstellenden naar de fraaie Sint Gertrudiskapel in Utrecht, een vroegere schuilkerk van oud-katholieken, tegenwoordig gebruikt door Ontmoetingscentrum ‘In de Driehoek’. ‘Wetenschappelijk onderwijs: publiek goed… of kan het beter?’ luidde de titel van het symposion, maar de discussie reikte verder, tot de toekomst van de Nederlandse universiteiten in brede zin. Een materie met vele aspecten.
In zijn welkomstwoord nam VAWO-voorzitter prof. Kees de Lange opnieuw de ‘baasjescultuur’ op de korrel, die is gecreëerd onder de MUB, de wet Modernisering Universitaire Bestuursorganisatie – een Orwelliaanse term, aldus De Lange. Wetenschappers is de zeggenschap over hun werk onteigend, wat een aanslag is op hun motivatie en de sfeer op de ‘werkvloer’, zo stelde hij. “Na zes jaar experimenteren kunnen we nu echt wel definitief vaststellen dat dit bestuurssysteem niet werkt. Dat wordt ook geïllustreerd door de sterk toenemende vraag naar individuele rechtsbijstand, die we als VAWO constateren.”
“Het gaat bij onderwijs niet om de output, maar om het proces”
Forumleider dr. André Klukhuhn (Universiteit Utrecht) opende de discussie met recente cijfers van het ministerie van OCenW , waaruit blijkt dat de overheidsuitgaven per student, gecorrigeerd voor inflatie, in twintig jaar met 54 procent zijn teruggebracht. Maar deze voorzet werd niet ingekopt.
Nog meer dan een tekort aan geld, is het volgens veel sprekers de wijze waarop dat geld wordt verdeeld en besteed, die de universiteiten parten speelt. Naar internationale maatstaven liggen de Nederlandse uitgaven voor het hoger onderwijs nog altijd op een behoorlijk peil, zei bijvoorbeeld aloud VAWO-coryfee drs. Hans Wichers (een mening die zeker niet door iedereen werd gedeeld). Maar van de verdeling van de middelen op basis van (in belangrijke mate) studentenaantallen, studierendement en ‘output’ gaat een volstrekt verkeerde prikkel uit; dat is vragen om modieuze opleidingen met een twijfelachtig wetenschappelijk gehalte, en het verlagen van kwaliteitsstandaarden, zei Wichers en zeiden anderen met hem.
Ook de besteding van de middelen is een probleem. Hooguit veertig procent wordt uitgegeven aan het primaire proces van onderwijs en onderzoek, zoals drs. Pieter Fokkink (Universiteit Twente, vice-voorzitter van de VAWO) met cijfers over de overheaduitgaven op de drie organisatorische niveaus van zijn universiteit illustreerde. Naast de overhead zijn ook bouwprojecten vaak nog een grote slokop.
Ambities
De vijf forumleden hielden ieder een korte inleiding. Staatssecretaris Annette Nijs van Onderwijs beet het spits af (haar programma voorzag in een vroegtijdig vertrek, maar ze bleef uiteindelijk tot het slot van de discussies). Verwijzend naar de Europese afspraken en ambities, en naar de betekenis van de universiteiten voor ‘de kenniseconomie’, stelde Nijs zich goed te kunnen vinden in de opvattingen die Peter Frederik in VAWO Visie 2003, nr. 1 (pag. 16, zie www.vawo.nl/Archief/VAWO Visie) ontvouwde over de toekomst van de Nederlandse universiteiten: “Volgens Frederik wordt de universiteit van de toekomst beoordeeld op wetenschappelijke creativiteit binnen de Europese, maar ook in de mondiale context. Vandaar vindt hij dat we moeten differentiëren, en investeren in kwaliteit. Ik ben dat met hem eens en u zult dat waarschijnlijk ook met hem eens zijn.”
Nijs zette uiteen op welke gronden de nieuwe Nederlandse Accreditatie Organisatie de kwaliteit van een wetenschappelijke opleiding wil gaan beoordelen. Essentieel is dat opleidingen hun studenten op de hoogte brengen van de meest recente onderzoeken en theorieën, en hen ‘in interactie brengen’ met de onderzoekspraktijk, zodat zij zelfstandig onderzoek leren doen, zei Nijs. De opleidingen moeten bovendien aansluiten bij de hedendaagse beroepspraktijk. Voorts worden eisen gesteld aan organisatie en logistiek, huisvesting, lesmateriaal, studiebeleiding, (financiële) continuïteit en een eigen systeem van kwaliteitszorg. En, zo benadrukte Nijs, aan kwaliteit en kwantiteit van het personeel: “Uw voorzitter Kees de Lange zei in zijn welkomstwoord dat het personeelsbeleid op de achtergrond dreigt te geraken, maar als het aan de NAO is, dan is dat een van de belangrijke aspecten waarop straks beoordeeld wordt of een opleiding een keurmerk kan krijgen of niet.”
Roadshow
Behalve de vraag of opleidingen goed zijn, moet ook de vraag worden beantwoord of ze gewenst zijn, vervolgde de staatssecretaris. “Dat is niet aan de NAO om te beoordelen of te bepalen, maar een ministeriële verantwoordelijkheid.” Nijs zei over dit thema een open discussie te willen aangaan met de instellingen en andere betrokken maatschappelijke instanties. Om te beginnen in april op een vijftal regionale bijeenkomsten. “We zullen vanuit het ministerie wel een aantal voorzetten doen, maar we willen vooral horen wat jullie en anderen vinden. Gaan we clusteren, gaan we brede bachelors maken, gaan we allebei doen? Dergelijke onderwerpen willen we in die roadshow bespreken.”
“Als te veel mensen zakken, worden de normen bijgesteld. Een pervers systeem”
Het Nederlandse hoger onderwijs bestaat momenteel uit zo’n 1100 opleidingen. “Veel”, zei de staaatssecretaris, en nog net niet “te veel”, maar uit het vervolg van haar relaas werd wel duidelijk dat het ministerie een sanering wenst. Voor nieuwe opleidingen zal vooralsnog slechts mondjesmaat plaats zijn. “Het ministerie wil voorlopig alleen nog opleidingen toelaten die inhoudelijk of didactisch echt nieuw zijn of in een duidelijke lacune voorzien”, aldus Nijs. En OCenW denkt ook aan een herschikking van opleidingen tussen WO en HBO. Bijvoorbeeld in de juridische hoek, waarin veel opleidingen een zwakke onderzoekscomponent kennen. Nijs: “We hebben veel meesters in de rechten, terwijl er maar één juridische HBO-opleiding is.”
Belonen en straffen
Na Nijs was het woord aan Didi Griffioen, oud-voorzitter van de Centrale Studentenraad aan de UvA, student onderwijskunde en eerder aan de Hogeschool van Amsterdam opgeleid tot gymjuf. Ze hekelde, enigszins tongue in cheeck, het ‘afrekenen’ van bestuurders, docenten en studenten op studentenaantallen, studierendement en studiepunten.
“Als gymjuf is een van de dingen die ik bij het lesgeven gebruik: belonen en straffen. Kijk vanuit die optiek eens naar de universiteit.
Vraag je iemand van het College van Bestuur ‘wat wil je nu bereiken’, dan krijg je als het goed is een enthousiast relaas over het mogelijk maken van dingen, het van een afstand begeleiden van processen en dergelijke. Kom je een decaan tegen, dan hoor je een soortgelijk verhaal over het creëren van randvoorwaarden, het begeleiden van een aantal opleidingen, maar dan iets kleinschaliger, iets meer in de richting van het primaire proces. En wat doe je nou als docent? Nou ik geef les, probeer studenten enthousiast te maken voor het vak. Met dingen als methodenleer en statistiek ligt dat natuurlijk wat lastiger, maar dat hoort erbij als een soort levertraan... Van studenten verwacht je te horen dat ze geïnteresseerd zijn in het vak, enthousiast zijn over de nieuwe inzichten die ze verwerven, enzovoort.
Maar wat wordt er beloond? Het binnenhalen van zoveel mogelijk studenten. Vervolgens het zogenaamde rendement, de onderwijsoutput. Voor de student telt bovenal het binnenhalen van studiepunten, ook met het oog op de studiefinanciering. Mensen worden niet afgerekend op dat waar ze eigenlijk enthousiast voor zijn: dat goede boek, leuke college of interessante werkstuk. Dat is jammer. Die output is maar één aspect, en niet het aspect waar het in het onderwijs om draait. Onderwijs is wat dat betreft een raar ‘product’, want het gaat daarbij niet om de output, maar om het proces.”
Niveauverlaging
De kwaliteit van het wetenschappelijk onderwijs staat op allerlei manieren onder druk, betoogde politicoloog prof. Bart Tromp (docent in Leiden en bijzonder hoogleraar aan de UvA) in zijn bijdrage. Zo levert volgens Tromp het middelbaar onderwijs met zijn studiehuis aankomende studenten af met steeds meer deficiënties (en, merkwaardig genoeg, zijn het de ideeën en keuzes van deze ‘18-jarigen’ die, via de financiering op basis van studentenaantallen en via de ‘studeerbaarheid’, de inrichting van het hoger onderwijs in belangrijke mate sturen). Tromp schetste een beeld van leerlingen die voor een opdracht snel wat van het internet afplukken en ouders die voor hun kinderen werkstukken zitten te maken. “Daarbij komt dat we als universiteiten niet selecteren, terwijl het HBO wel toelatingseisen kent. Zo komen veel mensen politieke wetenschappen doen als ze door een school voor journalistiek zijn afgewezen.” Zeventig procent van de studenten heeft bovendien tegenwoordig een bijbaan en bij velen van hen komt de studie in wezen op de tweede plaats, aldus Tromp. Intussen wordt de reële studieduur steeds korter.
Verder zijn de laatste dertig jaar de universiteiten enorm gebureaucratiseerd, stelde Tromp. Het personeel voor onderwijs en onderzoek vormt nu een minderheid en ook de directe ondersteuning voor hen is afgenomen. Daar staan sterk gegroeide staven tegenover, wat volgens Tromp een vergelijking rechtvaardigt met Mexicaanse legers die meer kolonels en generaals tellen dan soldaten: “Onnoemelijk veel studenten moeten les krijgen van steeds minder docenten.”
Ten slotte zijn er dan nog de niveauverlagingen, die zijn doorgevoerd onder de noemer ‘studeerbaarheid’ en die gestimuleerd worden door studierendementseisen. “Als te veel mensen zakken, worden de normen bijgesteld. Een pervers systeem”, aldus Bart Tromp.
Academische vrijheid
Het vierde forumlid dat een inleiding hield, was Europa-specialist prof. Ben Hoetjes (bijzonder hoogleraar in Maastricht en hoofddocent bestuurskunde in Leiden; bestuurslid van de VAWO). Hij noemde een aantal kernvereisten waaraan universiteiten moeten voldoen, waarvan hij de academische vrijheid benadrukte, en bedreigende factoren, zoals bureaucratisering, regelgeving die een eigen leven gaat leiden, van de praktijk ‘losgezongen’ quasi-beleidsvernieuwingen, gebrek aan samenwerking tússen universiteiten en mét het HBO, en het treurige perspectief dat jonge wetenschappers wordt geboden.
Academische vrijheid was – met academische vorming – ook een kernbegrip in de laatste inleiding, van hoogleraar economie van kunst en cultuur Arjo Klamer (Erasmus Universiteit). Hij zette de Nederlandse situatie af tegen die in de Verenigde Staten, waar hij vele jaren werkte. Kenmerkend voor de goede wetenschappelijke instellingen in de VS is dat de wetenschap er echt centraal staat, aldus Kramer. “Er heerst een seminar-cultuur waarin ideeën worden uitgewisseld en publicaties van collega’s worden besproken. Door een gebrek aan tijd en zin gebeurt dat in Nederland nauwelijks, waardoor veel wetenschappers in een isolement werken. Hier wordt vooral veel energie gestoken in het schrijven en bespreken van beleids- en onderzoeksplannen, rapportages en evaluaties. Publicaties van collega’s worden niet verheugd begroet, maar vooral met jaloezie.”
“Amerikaanse universiteiten hangen nog sterk de liberal arts-gedachte aan: mensen gaan er ‘studeren’ en wat zij studeren is eigenlijk minder relevant. Studenten zullen er ook nooit zeggen: wat heb ik aan dit studie-onderdeel? Hier gebeurt dat wel. Hier is het concept ‘studie’ verdrongen door het begrip ‘opleiding’. De ‘markt’ staat centraal, het opleiden tot”, aldus Kramer, die de plannen in herinnering riep om in het historisch hart van Dordrecht een – private, vooral door haar fellows gefinancierde – universiteit-in-klassieke-zin op te richten (een interview hierover met Klamer stond in VAWO Visie 2002, nr. 3, pag. 4 - zie: www.vawo.nl/Archief/VAWO Visie).
Motor
In de discussie die op de inleidingen volgde, werden vele punten nog eens nader toegelicht en onderstreept. Nijs benadrukte dat onderwijsuitgaven niet als kostenpost, maar als investering moeten worden gezien: onderwijs is een belangrijke motor voor economische groei. Over wat een regeerakkoord de universiteiten zal brengen, toonde ze zich optimistisch: “Geen politieke partij wil op onderwijs bezuinigen. Integendeel. De noodzaak van extra geld voor onderzoek wordt breed ingezien.”
Veel bijval kregen de opmerkingen van Didi Griffioen over het financieringsstelsel. Niet alleen gaat het meten van rendement en output voorbij aan het procesmatige karakter van onderwijs, de meting op zich beïnvloedt dat proces ook. “Zoals we ook in de quantummechanica zien dat de meting de uitkomst van de meting beïnvloedt”, zei Kees de Lange. “De outputfinanciering leidt tot calculerende universiteiten, calculerende bestuurders en decanen. Zie ook de trucs van HBO-instellingen. Een soortgelijk effect heeft het studiepuntensysteem op studenten.” Nijs concludeerde dat wat als verdelingsmodel was bedoeld, een sturingsmodel is geworden, maar, zo vroeg ze: welke criteria kunnen we dan wel gebruiken?
Pieter Walstra, de allereerste secretaris uit de VAWO-historie, stelde dat de randvoorwaarden waaronder universitaire medewerkers nu moeten functioneren demotiverend werken. De zware bureaucreatische overhead zou moeten verdwijnen, de acdemische vrijheid hersteld, zei hij. Walstra onderschreef Klamers opmerkingen over het belang van seminars. “Die zijn in mijn tijd wegbezuinigd, terwijl ze juist enorm stimulerend werken.”
|