VAWO-symposion 'Tenure track / Loopbanen in de wetenschap' (7 juni 2005)
“Tenure tracks zijn hooguit een deel van de oplossing”
Carrière maken in de wetenschap wordt in Nederland steeds moeilijker. Tenure tracks vormen hooguit een deel van de oplossing voor dit probleem, zo werd geconcludeerd op het symposion over loopbanen in de wetenschap, dat de VAWO op 7 juni 2005 in samenwerking met de Molecular Medicine Postgraduate School van Erasmus MC in Rotterdam organiseerde. Bovenal dient het aantal vaste functies voor wetenschappers te worden uitgebreid.
Bij een aantal faculteiten verspreid over het land wordt de laatste jaren geëxperimenteerd met – of gedacht aan – tenure-tracksystemen naar Angelsaksisch voorbeeld. Dergelijke systemen bieden postdocs, die meestal in voortdurende onzekerheid over hun toekomst verkeren, uitzicht om op te klimmen naar een in principe steeds hogere positie in de vaste wetenschappelijke staf, op voorwaarde dat zij goed blijven presteren.
Leidse ervaringen
Als eerste inleider vertelde Hans van Duyneveldt, UHD en tot voor kort instituutsmanager van het Leids Instituut voor Onderzoek in de Natuurkunde (LION), op het VAWO-symposion over de ervaringen bij de Faculteit der Wiskunde en Natuurwetenschappen in Leiden. Daar kregen 27 ‘professorabele’ postdocs in 2001 een tenure-trackaanstelling.
Van Duyneveldt: “Er was zoveel onvrede binnen de faculteit dat we echt iets moesten proberen. We hebben er niet veel stampij over gemaakt, niet het geheel van de universiteit erbij betrokken. We hadden ook niet alles tot in de puntjes geregeld, maar zeiden: we zien na een aantal jaren wel waar we uitkomen.
Er was wel een reeks uitgangspunten. De betrokkenen moesten de potentie hebben om uit te groeien tot hoogleraar. Ze zouden maximaal twee keer drie jaar een aanstelling voor bepaalde tijd krijgen. We stelden een set toetsbare criteria op in de vorm van competentieprofielen voor assistant professor, associate professor en full professor. Er kwam één vaste Benoemingsadviesraad voor de hele faculteit, omdat je met één maat moet meten. Maar de voorbereiding van de voorstellen lag op instituutsniveau. Jaarlijks worden resultaat- en ontwikkelingsgesprekken gehouden.
Het principe ‘up or out’ riep wel verzet op, maar het blijkt te werken, niet zozeer uit dwang maar uit vrije eigen beweging.
De faculteit is feitelijk een gecoördineerde verzameling los zand. Je vindt daar alle disciplines: wiskunde, informatica, sterrenkunde, biologie, enzovoort. Bij elkaar zeven instituten. Het zal niet verbazen dat de start in 2001 heel gebrekkig was. Er was geen uniform besluit waarvan iedereen uit zou gaan. Wat er uit de competentieprofielen volgde werd niet overal op dezelfde wijze onverkort toegepast. In elk instituut is er op een eigen manier met de details omgegaan. En in de loop van het proces zijn de uitgangspunten voor een deel gewijzigd. Maar als je nu terugkijkt, kun je constateren dat het wel werkt.
Over de kwaliteitscriteria blijkt heel veel overeenstemming tussen al die instituten te bestaan. De eisen die aan het wetenschappelijk personeel worden gesteld, zijn heel hoog. Dat hangt samen met het instituutsniveau. Binnen een instituut zit iedereen binnen één discipline en weet men donders goed wat ieders kwaliteiten zijn.”
Uitbreiding
“Zo’n 40 procent van de 27 mensen die zo’n tenure-trackaanstelling kregen heeft inmiddels al een vaste aanstelling. Zij waren zo succesvol bij tweede- en derdegeldstroomaanvragen – onder andere voor Veni en Vidi – dat het eigenlijk niet anders kon.
De voorlopige conclusies zijn heel positief en we zitten nu in een traject om het systeem in de breedte uit te zetten, eigenlijk voor al het wetenschappelijk personeel. We hadden nogal wat zorg over de financierbaarheid maar dat blijkt in de praktijk reuze mee te vallen.
De andere faculteiten in Leiden hebben nu allemaal soortgelijke plannen.”
Van Duyneveldts inleiding riep een aantal vragen op vanuit de zaal.
– Hoe komt het dat er bij jullie geen financiële problemen zijn, terwijl de rest van Nederland daar wel tegenaan hikt? Worden die tenure trackers betaald uit de tweede- en derde geldstroom?
Van Duyneveldt: “Nee, we kunnen ze betalen uit de eerste geldstroom. Het gaat nu natuurlijk nog maar om een beperkt aantal mensen, zo’n 15 procent van de vaste wetenschappelijke staf.”
– Ontstaat bij uitbreiding geen probleem?
Van Duyneveldt: “Daarnaar zijn we nu aan het kijken. We zullen gefaseerd – zeg maar: van onderaf aan – uitbreiden. Het gaat dan om de jongeren. Voor medewerkers van mijn leeftijd is het mosterd na de maaltijd.”
– Hoe staat het met die 60 procent die nog geen vaste aanstelling heeft?
Van Duyneveldt: “Die twee keer drie jaar zijn nog niet om. We gingen ervanuit dat ze allemaal nog in tijdelijke dienst zouden zijn. Vier mensen zijn inmiddels weggegaan, drie van hen al in het eerste jaar. Als je het gevoel hebt dat de lat toch hoger ligt dan jij kan springen, kun je beter bijtijds voor wat anders kiezen. De meeste mensen hebben genoeg realiteitszin. Als je nog een hele carrière voor je hebt, ga je niet verder op een pad waarvan je denkt: dit is voor mij een doodlopende weg.”
– Is het hoogleraarschap voor iedereen het eindpunt?
Van Duyneveldt: “Tot dusver ging het om mensen die wij professorabel achten en die we niet tot hun 55ste wilden laten wachten tot er iemand weg zou gaan. Maar nu we gaan uitbreiden, is dat niet meer het uitgangspunt.”
– Zijn de mogelijkheden in richtingen die vooral op de tweede- en derde geldstroom draaien niet beperkt?
Van Duyneveldt: “Ik ben jarenlang instituutsmanager van het fysica-instituut geweest. Dat draait op een eerste geldstroom van ongeveer 5 miljoen euro, naast een tweede en derde geldstroom van ongeveer 8 miljoen. Zolang ik me kan heugen is die verhouding altijd zo geweest. Het is toch van de gekke dat je die inkomsten uit de tweede en derde geldstroom niet zou kunnen gebruiken voor uitbreiding van je vaste staf. Er is geen regel die dat verbiedt. Alleen zégt iedereen altijd dat het niet kan. Dat is onzin, maar je moet wel je nek durven uitsteken, in de wetenschap dat je ongeveer in dezelfde omvang die inkomsten blijft houden.”
– Het idee dat het niet kan leeft vooral op de hoogste niveaus.
Van Duyneveldt: “Ja. Wij zijn daar omheen gezeild.”
Aantal promovendi beperken
De tweede inleider was Olof Wiegert, promovendus neurobiologie aan de UvA. Hij is sinds maart voorzitter van het Promovendi Netwerk Nederland (PNN).
Wiegert: “Van de promovendi komt 70 procent buiten de wetenschappelijke wereld terecht. Soms uit eigen keuze, bijvoorbeeld omdat zij de universiteit geen aantrekkelijke werkgever vinden, vaak omdat er geen plek voor ze is. Dat is een kwalijke zaak, want het gaat om talentvolle onderzoekers waarin veel is geïnvesteerd.
De 30 procent die wel in de wetenschap blijft, gaat veelal als postdoc aan de slag, bij dezelfde of een andere universiteit in Nederland of in het buitenland. Hier krijgen ze dan te maken met de slechte carrièreperspectieven voor postdocs. Tegen de tijd dat ze aan een tweede postdocschap toe zijn, willen ze zich vaak settelen, eventueel kinderen nemen. Universiteiten zouden mensen op die leeftijd aan zich moeten binden. Op dit punt zou een tenure-tracksysteem goed zijn. Nu biedt het buitenland, bijvoorbeeld de VS, maar ook België en noem maar op, vaak meer perspectief.
Via een tenure track kan mensen, op voorwaarde dat zij goed blijven presteren, zekerheid worden geboden dat zij tot UHD of hoogleraar kunnen uitgroeien. Het systeem zou zich mijns inziens op mensen met die potentie moeten richten. Niet iedereen hoeft erin terecht te komen; zeventig procent van de huidige UD’s heeft niet die ambitie.
Invoering van zo’n systeem hoeft voor het huidige WP geen consequenties te hebben. Het is goed te voorspellen hoeveel ruimte er door natuurlijke vergrijzing komt voor UD’s, UHD’s en hoogleraren.
Op het niveau van de promovendi doen zich momenteel een aantal problemen voor. De studentenaantallen groeien, maar de omvang van de wetenschappelijke staf die die studenten moet doceren heemt grosso modo niet toe, maar eerder af. Ook het aantal promovendi neemt toe, maar de begeleidingscapaciteit niet.
De gelden zouden daarom op een andere manier moeten worden besteed. Het aantal promovendi zou moeten worden beperkt. Zo zou er budget vrijkomen voor UD’s en UHD’s en voor meer vaste aanstellingen. Dat zou meteen helpen het probleem van de onderwijscapaciteit op te lossen. Nu worden, vooral in de bèta-hoek, promovendi heel veel voor onderwijstaken ingeschakeld, waardoor ze zwaar, vaak te zwaar, worden belast. Dat zou door UD’s moeten worden opgevangen.
Het PNN wil dus minder promovendi, waaraan duidelijke kwaliteitseisen worden gesteld. Jaarlijks zouden er evaluatiegesprekken moeten zijn. Het huidige systeem zou met tenure tracks moeten worden aangevuld. We vinden overigens dat er ook de mogelijkheid moet zijn dat mensen alleen doceren of alleen onderzoeken. Een hoogleraar moet natuurlijk ook heel duidelijk affiniteit met onderzoek hebben en heeft daarnaast in toenemende mate ook managementtaken.
Het Rijk zal in de buidel moeten tasten. Als je inzet op een kenniseconomie moet je ook investeren. Dat zou in de vorm van de eerste geldstroom moeten gebeuren, al mag het bedrijfsleven natuurlijk ook investeren.”
Luxeprobleem
Na de inleiding van Olof Wiegert ontspon zich een discussie tussen vooral hem, Van Duyneveldt en VAWO-voorzitter Helen de Hoop.
Van Duyneveldt: “Ik gebruik de termen UD en UHD niet, ik heb het over assistant, associate en full professor. De associate staat op het niveau van de UHD in Wigerts verhaal, maar heeft wel promovendi. Nu duurt het te lang eer goede mensen promovendi kunnen begeleiden. Dat was voor ons in 2001 ook een reden met het tenure track te beginnen. Als mensen te lang moeten wachten, gaan ze weg. Dat kunnen we ons echt niet meer permitteren.”
Wiegert: “Dat onderscheid had ik me niet gerealiseerd, maar ik geef je volkomen gelijk.”
De Hoop: “Maar dit is bijna een luxeprobleem als je het vergelijkt met mensen die überhaupt zitten te wachten op een vaste aanstelling. Er zijn heel wat UHD’s die, hoewel ze geen promotierecht hebben, liever in Nederland blijven dan naar het buitenland te gaan en liever aan de universiteit blijven dan het bedrijfsleven in te gaan.”
Wiegert: “Het belangrijkste punt van tenure track is om mensen meer bestaanszekerheid te geven en het werk aan de universiteit aantrekkelijker te maken doordat mensen uitzicht hebben op een vaste baan. Als ze dan ook promovendi mogen begeleiden, is dat een bijkomend voordeel.”
De Hoop: “Als het ‘nee, tenzij’ van nu vervangen wordt door een ‘ja, mits’ zou dat een hele vooruitgang zijn. Je hebt dan het idee dat je in ieder geval enige controle hebt, dat je het zelf in de hand hebt.”
Wiegert: “Er zijn best mogelijkheden, de CAO sluit het niet uit, maar er is een duidelijke mentaliteitsverandering op bestuurlijk niveau nodig.”
Van Duyneveldt: “Dat is precies de overweging bij ons geweest: laten we het nou gewoon doen, dan zien we wel waar het schip strandt. Nou, het vaart nog steeds.”
VAWO-secretaris Bart Kipp: “Ik dat jullie in Leiden gemakkelijker omgaan met begrippen als eerste, tweede en derde geldstroom. Mensen denken dat het allemaal in vakjes per project is vastgelegd. Houdt het project op, dan is het ook afgelopen. Men zou daar wat vrijer in moeten durven zijn, het wat groter moeten zien.”
Medewerkers bij oncologie van Erasmus MC: “Als wij dat zouden doen, dan zouden we grote moeilijkheden krijgen met het Koningin Wilhelmina Fonds (kankerbestrijding, red.). Dat zal niet toestaan dat wij hun geld gebruiken om mensen in vaste dienst te nemen.”
Van Duyneveldt: “Ja, die collectebusfonds hebben hun eigen rariteiten.”
Juist veel meer promovendi
De Hoop: “Toen het aio-stelsel in de jaren tachtig werd ingevoerd, was het uitgangspunt dat 30 procent, de beste 30 procent, van die aio’s in de wetenchappelijke staf terecht zou komen. Maar ook ambtenaren van OCW geven toe dat die 30 procent een illusie was, dat percentage is nooit gehaald. Wiegert noemde die 30 procent nu ook weer, maar het is niet de realiteit dat die kunnen doostromen naar de wetenschappelijke staf. Misschien naar een postdocpositie, met misschien nog wel een postdocschap, maar niet verder.
OCW heeft het tegenwoordig weer over die 30 procent, en ze willen méér promovendi. Wij zeggen al tijden: juist minder, dan is er veel meer kans op een fatsoenlijk loopbaanbeleid voor de mensen die je dan wel hebt. Maar OCW wil meer, echt veel meer promovendi.”
Wiegert: “Wij hebben, ook toen we nog LAIOO heetten, gestreden voor verhoging van het rendement van de promotieopleiding. De gemiddelde promotieduur is vijf jaar, terwijl de norm vier jaar is. Dat heeft alles te maken met de begeleiding. Als er meer promovendi komen er er wordt helemaal niets gedaan aan het aantal begeleiders...”
De Hoop: “Bij allerlei faculteiten zie je dat de tijd die gestoken wordt in het begeleiden van promovendi helemaal niet wordt meegerekend. Het wordt niet tot onderwijs gerekend en ook niet tot onderzoek.
OCW vindt het maar vreemd dat weinig afgestudeerden voor een promotietraject kiezen. Ja, waarom zou dat toch zo zijn? Veel mensen beginnen er niet aan, want die willen een traject volgen waar toekomst in zit. Ook de verhouding tussen vast en tijdelijk WP, nu ongeveer 50 om 50 procent, speelt mee. Onze inzet is dat die verhouding moet veranderen en ik hoop dat NWO en de KNAW zich daar ook hard voor willen maken. Dan zou je ook op de tweede en derde geldstroom mensen moeten aanstellen als onderzoeker. 60 om 40 procent zou een hele stap vooruit zijn, maar daar viel tot dusver niet over te praten met de VSNU. Er staat dan wel in de CAO dat een vaste aanstelling de norm is en een tijdelijke de uitzondering, maar ondertussen wordt die verhouding tussen vast en tijdelijk WP alleen maar slechter.”
Niet wachten
Van Duyneveldt: “Ik behoor niet tot de meest volgzame club. Als je op de VSNU moet wachten... Dan moeten de universiteiten het met z’n veertienen eens zijn, nou, dat heb ik nog nooit meegemaakt. Wat wij doen kan en mag, het is accountantproof.”
Een EMC-medewerker: “Een werkgroepleider die allemaal mensen met kleine contracten heeft op de tweede en derde geldstroom en zelf verantwoordelijk is, die durft dat gewoon niet. Die kan niet garanderen dat er elk jaar weer zoveel geld binnenkomt.”
VAWO-penningmeester Dick Hermans: “Dat is vaak koudwatervrees. Je stelt mensen aan, je hebt plannen voor een aantal jaren, diezelfde mensen zijn in staat weer nieuwe projecten te bedenken waarmee je weer geld binnenhaalt en die hebben daar zelf ook belang bij... En als er echt geen geld genoeg meer is, dan kun je reorganiseren en kun je zonodig mensen ontslaan, ook al hebben ze een vaste aanstelling.”
Van Duyneveldt: “Je moet ook kijken naar de schaalgrootte. Op het niveau van een hoogleraar met een kleine onderzoeksgroep kan het een probleem zijn. Maar je kunt ook op het niveau van het instituut of de faculteit kijken of je mensen vast kunt aannemen. En je kunt iets van een buffer creëren om een tijdelijke terugval in de inkomsten op te vangen.”
Wiegert: “Je moet wel oppassen dat onderzoeksgroepen niet te veel op zekerheid gaan spelen, ten koste van het innovatieve onderzoek, waarbij je altijd het risico loopt dat je geen of niet tijdig succes hebt.”
Van Duyneveldt: “Nou ja, een negatief resultaat is ook een resultaat.”
VAWO-bestuurslid Karin Mattern: “Een groep zou moeten zorgen voor een goede mix van risicovolle en minder risicovolle projecten.”
|