VAWO Vakbond voor de wetenschap

VAWO-symposion over 'Twente-model' (18 mei 2004)

Onderzoek ‘meer gelijk’ dan onderwijs

Universiteit Twente heeft onderwijs en onderzoek organisatorisch gescheiden. In dit ‘Twente-model’ worden beide pijlers geacht een gelijkwaardige positie te hebben, maar aan de onderwijskant van de organisatie leeft toch het gevoel dat, naar Orwell, het onderzoek ‘meer gelijk’ is dan het onderwijs. Dat bleek op het VAWO-symposion, dat op 18 mei 2004 aan de UT werd gehouden.

 

Het door de scheidend vice-voorzitter van de VAWO Pieter Fokkink gorganiseerde symposion was met ruim honderd deelnemers, van wie velen uit Twente zelf, zeer goed bezocht. De gedachtewisseling stond onder leiding van Winnie Sorgdrager (lid Raad van Toezicht van de UT) en begon met inleidingen door vijf UT-functionarissen, waarop een discussie van forum en zaal volgde.

Gestold wantrouwen

Hans Achterhuis, hoogleraar wijsbegeerte, beet het spits af. Hij plaatste de ontwikkelingen in Twente in een historische context.

Het ontstaan van de ‘massa-universiteit’ in de jaren zeventig heeft het wetenschappelijk bedrijf danig beïnvloed, betoogde Achterhuis. Voor die tijd genoten wetenschappers een hoge mate van autonomie; toen ontstond behoefte aan sturing en verantwoording. Begrijpelijk en terecht, volgens de inleider, zij het dat zich daarbij een nogal fundamenteel probleem voordoet. Onderzoek werd ingebed in instituten, scholen en programma’s; wetenschappers werden geacht vooraf de te verwachten resultaten aan te geven. Maar dat model is veel beter op de bèta-wetenschappen toegesneden dan op de alpha- en gamma-richtingen, stelde Achterhuis, daarbij enkele keren Ankersmit citerend. Hij gaf ondermeer het voorbeeld van Foucault, die in een openbare les een prachtig onderzoeksprogramma uiteenzette en vijf jaar later een geheel andere kant bleek te zijn opgegaan. Vervolgens beloofde Foucault in een boek vijf vervolgdelen, om andermaal een ander pad in te slaan.

Ruimte voor creativiteit is in geesteswetenschappelijk onderzoek onmisbaar, concludeerde Achterhuis. Ook voor de onderwijskwaliteit. Studenten moeten ten minste in de masterfase een glimp van dergelijke wetenschappelijke creativiteit te zien krijgen, zei hij. Maar het Twentse model lijkt juist de culminatie van de programmatische benadering. Achterhuis riep de UT-leiding op te breken met de huidige constellatie van ‘gestold wantrouwen’, die fnuikend is voor de geesteswetenschappen . Hij pleitte ervoor om in bèta-richtingen onderzoeksprogramma’s te financieren en in alpha-richtingen onderzoekers, van wie het werk achteraf beoordeeld zou moeten worden.

En passant wees hij nog op het nadeel van projectsubsidies van bijvoorbeeld NWO, dat zij ten koste kunnen gaan van goed ander onderzoek van een instelling. “Want ze moeten gematcht worden met een financiële sigaar uit eigen doos.”

Internationale concurrentie

De herstructurering die de UT heeft doorgevoerd, heeft tot doel om slagvaardig en succesvol te kunnen opereren in de Europese wetenschapsruimte, verklaarde Huib de Jong, hoogleraar en portefeuillehouder Onderwijs & Personeel in het College van Bestuur. Het Twente-model heet ‘gekanteld’ te zijn: er zijn vijf faculteiten (voorheen tien) en zes verzelfstandigde onderzoeksinstituten, die alle in de persoon van hun decaan of wetenschappelijk directeur vertegenwoordigd zijn in het beleidsbepalende Universitair Management Team (UMT) waarvan ook het College van Bestuur deel uitmaakt. Onderwijs en onderzoek ‘ontmoeten elkaar’ op het niveau van de circa honderd leerstoelen, die steeds met een faculteit en een onderzoeksinstituut of meerdere verbonden zijn.

Het besluit om te reorganiseren en de keuze van het model is door een reeks van factoren ingegeven, aldus De Jong. Financieel kampt de UT evenals de andere Nederlandse universiteiten met “de onvoorstelbaar ver teruggelopen rijksbekostiging”. Daarbij komt dat veel van het vastgoed van de UT tegelijkertijd (het meeste dateert van de oprichting veertig jaar geleden) aan vernieuwing toe is. De UT wil ook inspelen op de ontwikkeling van de Europese en mondiale wetenschapsruimte, en de concurrentie daarin. De vroegere structuur leende zich daar volgens De Jong door een hoge mate van inflexibiliteit slecht voor.

De UT tracht het noodzakelijke met het wenselijke te verenigen door focussering en profilering, professionalisering van het onderwijs (“een vak apart”) en een effficiënte, ‘platte’ organisatie. Een belangrijk kenmerk van die organisatie is, zo zei De Jong, dat spanningen en keuzes erin expliciet ter tafel komen.

Er wordt nu ongeveer een jaar in het nieuwe model gewerkt. Te kort om het te beoordelen, stelde De Jong, maar verscheidene positieve signalen stemmen hem optimistisch en hij toonde zich content met de wijze waarop in het UMT gediscussieerd wordt. “Maar de situatie moet zich nog stabiliseren. Dat vergt een jaar of vijf, denk ik.”

Dichter bij elkaar

Prof. Peter Apers, wetenschappelijk directeur van het Centrum voor Telematica en Informatietechnologie, een van de onderzoeksinstituten, acht de kanteling van de UT een juiste stap met het oog op de zich aandienende internationale concurrentieslag.

Het onderwijs en onderzoek zijn door de reorganisatie dichter bij elkaar gebracht, ondanks de organisatorische scheiding die wenselijk was vanwege de verschillende agenda’s van beide, meent hij. Voor het onderwijs zijn ondermeer de bachelor-masterstructuur, life long learning, de relatie met het HBO, internationalisering en ICT belangrijke onderwerpen. Voor het onderzoek spelen andere kwesties.

Terwijl veel onderzoek disciplinegebonden is, neemt de vraag naar een integrale, multidisciplinaire aanpak van problemen toe. Om in onderzoek een volgende stap te kunnen maken, is vaak een zekere massa vereist. Daardoor is er een tendens naar grootschalige projecten. Voorts doen er zich verschuivingen voor in de financiering van onderzoek. Financiering op Europees niveau wordt van toenemend belang. En zowel die Europese als de nationale financiering, bijvoorbeeld door NWO, wordt steeds meer gekenmerkt door thematische keuzes. Daar goed op inspelen gaat het vermogen van een leerstoelgroep al gauw te boven en hier biedt het Twentse model uitkomst, aldus Apers: “Door focus en massa lukt het steeds beter om agendabepalend te zijn, projecten binnen te halen en kwaliteit van elders aan te trekken.” Maar goed grootschalig, multidisciplinair onderzoek is niet mogelijk zonder sterke onderliggende disciplines en goed kleinschalig onderzoek, voegde hij daaraan toe. Een belangrijk pluspunt van het Twente-model is volgens hem dat beleidsafwegingen heel expliciet moeten worden gemaakt.

Apers vreest niet voor de koppeling van onderwijs en onderzoek. Veel medewerkers doen beide en de researchmasters kenmerken zich juist door een sterke relatie met lopend onderzoek, zei hij.

Onderwijskwaliteit onder druk

Kees Ruijter, opleidingsdirecteur bij Werktuigbouwkunde en bij Industrieel Ontwerpen, is minder positief gestemd. Zijn inziens doet de kanteling van de organisatie de ontwikkelingen op onderzoeksgebied veel meer recht dan die in het universitair onderwijs, waavan de kwaliteit door de oriëntatie op de wensen van studenten en de noties van studierendement (ongeacht niveau) en studeerbaarheid onder druk staat.

Op de UT gaat bovendien een groot deel van de onderzoeksmiddelen naar gebieden met weinig studenten, terwijl opleidingen met veel studenten soms nauwelijks gevoed worden vanuit het onderzoek. Opleidingen hebben er vaak hun handen vol aan om hun onderwijs gefinancierd te krijgen.

Ruijter hoopt dat de overzichtelijkheid van de nieuwe structuur zich in een grotere efficiëntie zal vertalen. Dat is nog niet gebleken, stelt hij, maar wel hard nodig, nu het schrijven van onderzoeksvoorstellen en dergelijke, maar ook de PR steeds meer tijd vergen. Ruijter memoreerde het recente rapport van de Onderwijsraad over de bureaucratie in het onderwijs en wees erop dat van het UT-budget inmiddels minder dan 50 procent aan de primaire taken van onderwijs en onderzoek wordt besteed.

Tot dusver werkt het nieuwe model volgens Ruijter nog niet bijzonder goed. Iedere groep is nu weliswaar onder de paraplu van een instituut gebracht, maar de strakke samenhang die dat suggereert is schijn: het conglomeraat van programma’s is helemaal niet zo coherent. Er heerst een afrekencultuur waarin pseudo-prestaties worden beloond, mede daardoor leeft er op de werkvloer wantrouwen en cynisme, de medezeggenschap wekt weinig animo, de centrale diensten zwemmen door een gebrek aan aansturing.

Onderwijskwaliteit zou het uitgangspunt moeten zijn voor de UT, ook voor het organisatie- en verdeelmodel, vindt Ruijter. De positie van de opleiding als organisatorische eenheid zou zichtbaar moeten worden gemaakt, het middenniveau van de organisatie, dat wil de zeggen: de faculteiten, zou meer zeggenschap moeten krijgen, ook over geldkwesties, betoogde hij.

Minder gewaardeerd

De laatste inleider, Maria Peters, hoogleraar biomagnetisme, nam de relatie tussen onderwijs en onderzoek onder de loep. Het wordt volgens haar iets te vanzelfsprekend gevonden dat onderwijs en onderzoek ‘elkaar bevruchten’. Jongerejaars worden niet per se gefascineerd door de ins and outs van lopend onderzoek, topwetenschappers hoeven nog geen goede docenten te zijn.

Er zijn wezenlijke verschillen tussen het onderwijs in de baccalaureaatsfase en dat in de masterfase, stelt Peters. Beginnende studenten moeten enthousiast worden gemaakt, systematisch en kritisch denken en zelfdiscipline worden bijgebracht, leren zich nieuwe stof eigen te maken. Daarnaast kunnen in een aantal colleges de nieuwe ontwikkelingen in het vakgebied onder de aandacht worden gebracht.

In de baccalaureaatsfase zijn vooral de onderwijskundige kwaliteiten van de docenten uitermate belangrijk; ook de werfkracht van een opleiding wordt daar door beïnvloed. In de masterfase gaat het om specialisatie en diepgang. De student gaat daarin meewerken aan onderzoek, waarbij het onderwijs de vorm aaneemt van geregelde gesprekken tussen student en begeleiders/onderzoekers. De werfkracht van een master wordt vooral bepaald door de aard en kwaliteit van het onderzoek.

In de masterfase moeten onderwijs en onderzoek dus gekoppeld blijven volgens Peters, maar in de baccelaureaatsfase zouden niet alle docenten ook onderzoekers hoeven te zijn. Het probleem is evenwel dat onderwijsprestaties minder worden gewaardeerd dan onderzoeksprestaties. Universitair docenten worden vooral op het laatste beoordeeld, zowel formeel als in de collegiale sfeer. Ze zijn daarom geneigd de tijdsinvestering in het onderwijs te beperken. In het Twente-model is het nu bovendien zo dat binnen de leerstoelgroep het onderwijs zijn hand moeten ophouden bij het onderzoek.

Goed onderwijs zou hetzelfde gewaardeerd moeten worden als goed onderzoek, concludeerde Peters. “Het belangrijkste is dat we mensen afleveren die bereid zijn levenslang te leren.”

Circus

Na de vijf inleidingen leidde Winnie Sorgdrager de discussie eerst naar de vraag of de huidige procedures werkelijk zo bureaucratisch zijn en wat het alternatief is, ervan uitgaande dat over de besteding van middelen wel verantwoording moet worden afgelegd. Vanuit de zaal merkte David Reinhoudt (wetenschappelijk directeur bij een technologisch instituut van de UT) op de procedures van bijvoorbeeld NWO fair en niet overdreven bureaucratisch te vinden, terwijl vroeger de zaken in achterkamertjes werden geregeld. Hij zei het schrijven van onderzoeksplannen leuk te vinden, “ook al komt er vaak wat anders uit, ook in de bèta-richtingen”. Maar Hans Achterhuis sprak van window dressing en een ‘Veni-Vidi-circus’, dat zo veel geld kost dat daar heel wat goede onderzoekers voor zouden kunnen worden aangesteld. Hij vond ondermeer steun bij Maria Peters. “Er gaat heel veel tijd in zitten, terwijl het vaak om het vergelijken van appels met peren gaat. Het is eigenlijk hovaardig te denken dat je dat kunt.”

Het probleem is niet alleen de bureaucratie, maar ook dat er steeds minder geld beschikbaar is, stelde Peter Apers. “Kennelijk heeft de samenleving er minder voor over.” Los van organisatiemodellen is voor hem daarom de essentiële vraag: wordt er naar de samenleving geluisterd?

De stemming op de werkvloer was een tweede punt van discussie. Huib de Jong wees erop dat de werkdruk de laatste decennia sterk is toegenomen. “Iedereen werkt over, veel mensen zitten in het rood”, beaamde Kees Ruijter. Achterhuis en De Jong onderstreepten het belang van duidelijkheid over criteria en van rust in de organisatie.

Tot slot kwamen nog enkele kwesties betreffende de verhouding tussen onderwijs en onderzoek aan de orde. Als universiteiten het VWO verwijten dat de docenten er te ver van de wetenschap af staan, is het vreemd als je zelf die koppeling los zou laten, stelde Ruijter, daarin gesteund door De Jong. Steven Gils, onderwijsdirecteur wiskunde bij de UT, onderstreepte dat de onderwijsfinanciering in het Twentse verdeelmodel onvoldoende is. Leerstoelen met geen of weinig onderzoek kunnen dat niet vanuit de onderzoeksmiddelen compenseren en raken dus in de rode cijfers.