VAWO/CMHF-reactie op VSNU-position paper ‘Hora est, Vernieuwing in
het Nederlandse promotiestelsel’ (oktober 2004)
Het Algemeen Bestuur (AB) van de VSNU heeft de werkgroep Promotiestelsel
ingesteld om te adviseren over de gewenste richting van het Nederlandse promotiestelsel.
De werkgroep is samengesteld uit mensen die verbonden zijn aan de universiteit
en medewerkers van de VSNU. De belangrijkste aanleidingen voor de paper waren
de introductie van het bachelor-mastersysteem, de opname van de promotieopleidingen
in het Bolognaproces en de groeiende diversiteit van promotieopleidingen.
In het rapport doet de VSNU ondermeer voorstellen over:
- de introductie van algemene eindtermen voor de promotieopleiding;
- de invulling van de externe kwaliteitszorg van promotieopleidingen;
- de inrichting van een landelijk stelsel van graduate schools;
- de arbeidsrechtelijke status van promovendi.
De paper kan slechts gezien worden als het resultaat van een interne brainstormactie
van universiteiten en de VSNU. De paper moet onder andere nog besproken worden
met de vakbonden en de promovendi. De VAWO/CMHF maakt zich echter zeer bezorgd
over de voorstellen rondom de ‘indaling’ van de promotieopleiding
in de masterfase en de arbeidsrechtelijke status van promovendi. De VAWO/CMHF
vindt het een kwalijke zaak dat de paper al naar minister Van der Hoeven is
gestuurd, terwijl de vakbonden en de promovendi zich nog niet hebben uitgesproken
over de position paper.
Indaling promotieopleiding in de masterfase
In de paper wordt aangeven dat het mogelijk moet zijn om zowel vanuit de
reguliere master als de researchmaster te starten met een promotietraject. “De
werkgroep is er voorstander van dat de researchmasters zo worden in gericht
dat aankomende promovendi een ‘vliegende start’ in hun promotieopleiding
kunnen maken. Wanneer er binnen een master systematisch gebruik wordt gemaakt
van een op de promotie voorbereidend programma, dan kan er sprake zijn van ‘indaling’ van
de promotieopleiding in de masterfase. Deze synergie tussen master en promotieopleiding
betekent dat een deel van de promotieopleiding reeds in de master wordt gevolgd.
Hiermee kan de promotiefase na de master worden verkort, maar verandert de
formele duur van de promotieopleiding niet. De werkgroep is van mening dat
indaling van het promotietraject in de vooropleiding dan in de rede ligt, als
hierbij zowel de doelen van de vooropleiding (eindtermen) als de doelen van
het eerste jaar van de promotie (oriëntatie, onderzoeksopzet) kunnen worden
bereikt. De werkgroep tekent hierbij wel aan dat indaling niet mag leiden tot
drempels voor mobiliteit van kandidaatpromovendi tussen universiteiten” (blz.
16 position paper).
De VAWO/CMHF plaatst bij dit voorstel een aantal kritische kanttekeningen,
die gedeeltelijk ook zijn verwoord door het Promovendi Netwerk Nederland (zie:
www.hetpnn.nl/nieuws/overzichtsdocument charters). Ten eerst menen wij dat
de indaling een verkapte bezuinigingsmaatregel is ten nadele van de (aankomend)
promovendus. De student zal gaan betalen voor het tweede jaar van de onderzoeksmaster,
terwijl de promovendus nu wórdt betaald voor het eerste promotiejaar.
Ten tweede valt het volgens ons niet met elkaar te rijmen dat de werkgroep
stelt dat de promotiefase na de master moet worden verkort, maar dat de formele
duur van de promotieopleiding niet verandert. Wij bespeuren hier toch een inperking
van de promotieduur. Ten derde moet de onderzoeksmaster worden gezien als een
zelfstandig en afgerond geheel. Na een indaling van het promotietraject in
de onderzoeksmaster, is de onderzoeksmaster geen onafhankelijk traject meer.
Ten vierde zal deze indaling de mobiliteit beperken, omdat studenten in de
onderzoeksmaster al begonnen zijn met de promotie.
Arbeidsrechtelijke status van promovendi
De werkgroep vindt het essentieel dat er variatie is in de rechtspositie
van promovendi. Zij stellen dat belangstellenden vanuit verschillende situaties
een op hun wens toegesneden promotietraject moeten kunnen volgen. Zij gaan
daarbij uit van drie aanstellingsmogelijkheden, namelijk:
- ‘buitenpromovendi’ die zelf voorzien in hun levensonderhoud
en vanuit persoonlijke interesse afspraken maken met de instelling over een
promotie;
- promovendi die aangesteld zijn als werknemer;
- promovendus-student (bursaal) die als student met een beurs aangesteld
zijn; op dit moment komt deze vorm in Nederland vooral voor bij buitenlandse
PhD-studenten.
De VAWO/CMHF heeft grote bezwaren tegen deze laatste constructie. De promovendus-student
krijgt hiervan een studentstatus en er is in tegenstelling tot de werknemersstatus
geen sprake van een gezags-, loon-, of arbeidsrelatie. De promendus-student
zou meer vrijheid krijgen in de wijze waarop de promotie wordt ingericht. Zo
zouden er bijvoorbeeld ook geen onderwijstaken verricht hoeven worden, is er
geen aanwezigheidsvereiste en liggen de verantwoordelijkheden anders. De bekostiging
geschiedt op basis van een beurs, die of extern of door de universiteit gefinancierd
wordt.
De werkgroep is van mening dat het invoeren van de promovendus-student op
een voor promovendi en universiteiten bevredigende en juridisch wijze haalbaar
moet zijn.
Daar denkt de VAWO/CMHF heel anders over. Al jaren maken wij bezwaar tegen
het gebruik van het bursalenstelsel. Het bursalenstelsel is niet alleen onrechtvaardig,
maar uit jurisprudentie blijkt dat het stelsel ook tegen de wet is. Het stelsel
kan niet anders uitgelegd worden als bezuinigingsmaatregel. Het is dan ook
niet voor niets dat deze discussie juist nu, na de recente inschaling van promovendi
in schaal 10, in alle hevigheid oplaait. Het nieuwe functiewaarderingssysteem
FUWA toont aan dat promovendi werknemers zijn en een groot deel van het onderzoek
en onderwijs op de universiteiten verzorgen.
Het systeem heeft voor de promovendus alleen maar nadelen. Het Promovendi
Netwerk Nederland noemt:
- geen ontslagbescherming;
- geen uitkering na ontslag, bij ziekte of bij arbeidsongeschiktheid;
- geen pensioenopbouw, vakantiegeld of collectieve ziektenkostenverzekering;
- geen belastingaftrek van de promotiekosten;
- geen vergoeding van promotiekosten of reiskosten;
- geen mogelijkheid tot het verkrijgen van onderwijservaring;
- geen mogelijkheid tot het volgen van cursussen.
In de paper wordt gesteld dat het bursalenstelsel geen negatieve invloed
heeft op het rendement van de promotie. Dat is ook niet verwonderlijk omdat
iedere bursaal zo snel mogelijk verlost wil zijn van deze uitbuiting.
Verder vrezen wij dat de promovendus ook geen keuze krijgt om te kiezen voor
een aanstelling als student of als werknemer, want wanneer zij die keuze wel
krijgen zal een promovendus altijd kiezen voor een aanstelling als werknemer.
De werkgroep geeft in de paper aan dat promovendi de wetenschappers en docenten
van de toekomst zijn. Tijdens de promotie leveren zij al een wezenlijke bijdrage
aan de wetenschap. Om deze wetenschappers en docenten voor de toekomst te behouden
is het nodig om hen als volwaardige medewerker aan te stellen en hen niet af
te schepen met een bursaal-aanstelling. Een bursaal-aanstelling demotiveert
jonge talentvolle wetenschappers om aan een wetenschappelijke carrière
te beginnen.
Inmiddels heeft de VSNU laten weten dat zij de vakbonden uitnodigen om over
haar position paper te praten. Wordt vervolgd.
|