VAWO Vakbond voor de wetenschap

Europese Hof van Justitie oordeelt over de

aanspraak op vakantiedagen bij ziekte

In een arrest van 29 januari 2009 (zaak C-350/06 en C-520/06) heeft  het Europese Hof  van Justitie in een tweetal vergelijkbare zaken een aantal zogenoemde prejudiciële vragen beantwoord, welke vragen betrekking hadden op de jaarlijkse opbouw van vakantiedagen tijdens ziekte,  het recht om deze dagen vervolgens na ziekte alsnog op te nemen, dan wel bij ontslag deze vakantiedagen te laten uitbetalen.

In het arrest beantwoordt het Hof  deze vragen in het licht van de Europese Richtlijn 2003/88/EG, die een aantal aspecten bevat van de organisatie van de arbeidstijd, waaronder het vakantieverlof.

De Europese richtlijn bepaalt dat werknemers recht hebben op een minimum aantal verlofdagen in een jaar: vier weken met behoud van loon bij een volledige aanstelling, dan wel een evenredig deel daarvan bij een deeltijdaanstelling. Dit minimum kan aan het einde van het dienstverband worden afgekocht met een financiële vergoeding.

De vraag was of dit minimum ook geldt voor zieke werknemers, die niet in staat zijn hun werk te verrichten, en of zij die vakantiedagen  vervolgens op een later moment kunnen opnemen of bij het einde van dienstverband uitbetaald krijgen. Volgens het Hof is dat inderdaad het geval.

Consequenties voor Nederland

Arresten van het Hof zijn ook relevant voor Nederland als lid van de Europese Unie, ook al was Nederland zelf geen partij in een van de twee zaken. De vraag is dan ook welke gevolgen dit arrest voor de Nederlandse situatie kan hebben.

De rechten van werknemers  zijn in Nederland verschillend geregeld. In het Burgerlijk Wetboek zijn de rechten en plichten van werknemers geregeld die niet bij overheidsdienst of bij een bestuursorgaan werken. Zij vallen onder het gewone arbeidsrecht. Artikel 7:635 derde lid van het Burgerlijk Wetboek bepaalt  dat een zieke werknemer alleen in de laatste zes maanden van zijn ziekte periode vakantiedagen opbouwt. Dat zijn normaal gesproken twee weken vakantie en dat is minder dan het minimum van vier weken, zoals dat op grond van de Richtlijn verplicht is. In het licht van het arrest is artikel 7:635 derde lid van het Burgerlijk Wetboek dus in strijd met de Richtlijn.

Het ministerie van Sociale Zaken en Welzijn bestudeert nog welke consequenties dit arrest heeft voor de Nederlandse regelgeving.

CAO NU en CAO UMC

Voor ambtenaren zijn er verschillende rechtspositionele regelingen voor specifieke  groepen ambtenaren. Ook daarvan moet worden beoordeeld of deze regelingen op het gebied van de aanspraken van vakantiedagen voor zieke werknemers  wel conform de bedoeling van de Richtlijn zijn. Voor de CAO Nederlandse Universiteiten en de CAO Universitair Medische Centra lijkt te moeten worden geoordeeld dat ook deze moeten worden aangepast.

Ook in deze regelingen wordt de aanspraak op vakantie beperkt tot die over een periode van maximaal zes maanden. Ook in deze regelingen krijgt een werknemer niet de voorgeschreven minimale aanspraak. Het is aan de werkgevers en de vakbonden om deze regelingen  als zodanig aan te passen. Dat geldt ook voor de regelingen waarbij de vakantieaanspraken komen te vervallen indien deze vakantiedagen niet binnen de voorgeschreven termijn zijn opgenomen. Mocht er sprake zijn van een ontslag, dan dienen die vakantiedagen te worden uitbetaald.

Zolang als de regelingen niet zijn aangepast, kunnen individuele werknemers zich beroepen op de Richtlijn, zoals het Hof deze in het arrest heeft uitgelegd.