"Hoe komt u eigenlijk bij dit onderwerp?"

Door Roel Wouters

Het is zover: recent viel mijn promotieonderzoek, gecondenseerd in 200 pagina’s digitaal papier, door de gleuf van de digitale brievenbus van de beoordelingscommissie. Het is nu aan deze commissie om te beoordelen of mijn proefschrift voldoende blijk geeft van mijn ontwikkeling tot zelfstandig onderzoeker. Een belangrijk onderdeel van die bekwaamheid is het opsporen van lacunes in de wetenschappelijke kennis en deze lacunes onder woorden te brengen in een heldere vraagstelling. Toch heb ik tijdens proefschriftverdedigingen de oppositie zelden aan de promovendus (m/v) horen vragen: “hoe kwam u nou eigenlijk bij dit onderwerp?”. De reden dat die vraag bijna nooit wordt gesteld, is dat beide kanten van de tafel het antwoord op die vraag maar al te goed kennen. In veel gevallen heeft de begeleider projectfinanciering verworven of eerste geldstroommiddelen vrijgemaakt en een vacature uitgezet. De promovendus die uiteindelijk het proefschrift over dat onderwerp verdedigt, heeft enkele jaren eerder met succes op die vacature gereageerd. Dat laat uiteraard nog veel ruimte voor fine-tuning van de onderzoeksvragen en de bijbehorende methodes. Maar zeker nu steeds meer promotietrajecten worden gefinancierd op projectbasis (uit tweede of derde geldstroom) liggen de onderzoeksvragen in toenemende mate al op hoofdlijnen vast. Dat zijn immers de vragen waarvoor de geldverstrekker heeft betaald en dus een antwoord op wil hebben.

Toen ik enkele maanden geleden bezig was met een financieringsaanvraag voor een postdoconderzoek, realiseerde ik mij hoe leerzaam het is om zelf de (algemene) onderzoeksvragen te formuleren. Dat betekent niet dat ik mijn promotieonderwerp heb gekozen omdat er toevallig geld beschikbaar was, noch dat ik alleen maar de vakjes heb ingekleurd van een wetenschappelijke kleurplaat. Maar ik besefte wel dat ik de ervaring om from scratch goede onderzoeksvragen te formuleren pas echt opdeed door het schrijven van een aanvraag voor vervolgonderzoek. Aangezien veel promovendi geen postdoc gaan doen, kunnen zij deze ervaring mislopen.

Het zou te gemakkelijk zijn om dit te typeren als een fundamentele tekortkoming van tweede- en derde geldstroomonderzoek. Als er maar genoeg ruimte blijft voor fundamenteel onderzoek en vrije wetenschapsbeoefening is het volgens mij een goede zaak dat de samenleving, bijvoorbeeld via collectebusfondsen die veel medisch-wetenschappelijk onderzoek financieren, ook direct een bijdrage levert aan de wetenschappelijke agendavorming. Maar ook met deze financieringsmethodiek kan de promovendus kansen krijgen om zelf eigen onderzoeksvragen te formuleren. Sterker nog, dat onderzoek steeds meer op projectbasis wordt gefinancierd is juist een reden om onderzoekers al in een vroeg stadium vaardig te maken in het verwoorden van goede vraagstellingen. Dat kan op verschillende manieren. De overheid kan programma’s waarmee aanstaande promovendi hun eigen beurzen kunnen verwerven met een zelfgeschreven onderzoeksvoorstel uitbreiden. Promotoren kunnen dit aanmoedigen en faciliteren. Tot slot kunnen universiteiten beter gebruik maken van de mogelijkheden die de masterscriptie biedt om deze vaardigheden aan te leren, hetgeen getalenteerde studenten weer kunnen gebruiken als opstap naar een promotietraject. Vier jaar later kan de promovendus dan de vraag  “hoe kwam u nou eigenlijk bij dit onderwerp?” met vertrouwen tegemoet zien.

Roel Wouters is basisarts en werkt bij het UMC Utrecht als postdoc onderzoeker.

Terug