Hoerawoorden

Door Ruud Abma

U kent ze wel, van die woorden die iedere kritische gedachte in de kiem smoren. Welzijn. Ontwikkelingssamenwerking. Medezeggenschap. Transparantie. Internationalisering. Wie kan daar nou tegen zijn? Je staat al gauw te boek als bekrompen of cynisch, als tegenstander van ‘de vooruitgang’. Het zijn woorden die macht kunnen uitoefenen omdat ze goed klinken én niet al te nauwkeurig omschreven zijn. Daardoor kunnen partijen van verschillend pluimage zich eronder verenigen. Dat lijkt dan op eensgezindheid en verzoening, maar het kan gemakkelijk een dekmantel zijn voor het doorzetten van specifieke belangen.
Neem ‘internationalisering’. Je kunt daar van alles onder verstaan, bijvoorbeeld dat economische en politieke verbanden steeds internationaler worden, en dat culturen steeds meer met elkaar in contact komen. Je kunt dan, al naar gelang je visie of doel, zeggen dat dat (a) onvermijdelijk is, (b) goed is, en/of (c) gestimuleerd moet worden. Leer studenten zich oriënteren op deze internationale wereld, stimuleer dat ze naar het buitenland gaan en bevorder dat ze het Engels actief en passief beheersen. Prima.

Maar plotseling heeft ‘internationalisering’ een nieuwe betekenis gekregen: universitaire opleidingen moeten overschakelen op het Engels als voertaal – eerst de masters, en steeds vaker ook de bacheloropleidingen. Dat is wel een paardenmiddel om studenten te leren dat de wetenschappelijke wereld internationaal is! En het geeft te denken dat dit in voorkomende gevallen universitair en facultair ‘beleid’ is, en niet een keuze van departementen en opleidingen zelf. Inmiddels is duidelijk dat ‘internationalisering’ betekent: aantrekkelijk zijn voor buitenlandse studenten, zodat de instroom (en daarmee de financiën) op peil blijven.

Zou er met ‘diversiteit’ ook zoiets aan de hand zijn? Je loopt het risico voor seksist en/of racist te worden uitgemaakt als je niet voetstoots meegaat in het gejubel over ‘diversiteitsbeleid’. Maar het is bepaald onzorgvuldig om onder zo’n begrip zowel vrouwen als ‘mensen met een migratie-achtergrond’ te vangen. In veel studierichtingen zijn vrouwen in de meerderheid; daarna worden hun carrièrekansen gaandeweg minder, maar dat is een heel ander probleem dan de achterblijvende instroom van niet-westerse allochtonen. Dat universiteiten zich samen met middelbare scholen inspannen om dit laatste te verbeteren: prima, maar vermeng het niet met andersoortige doelstellingen.

Soms claimen diversiteitsdenkers ook dat de opleidingen er beter van worden: met meer culturen in de klas leer je om vanuit verschillende perspectieven te denken – en al helemaal als je er een international classroom van maakt, met echte buitenlandse studenten er in. Tweemaal woordwaarde: internationalisering én diversiteit!

Ik betwijfel eerlijk gezegd of universiteiten dat echt willen, die verschillende perspectieven. Veel opleidingen zijn in het afgelopen decennium strakker en schoolser geworden, en buitenbeentjes worden eerder beteugeld dan aangemoedigd in hun eigengereidheid. En onderzoekers die slow science tot uitgangspunt nemen voor hun werk of een Nederlandstalig boek willen schrijven in plaats van Engelstalige artikelen, kunnen rekenen op ongemakkelijke vragen van hun leidinggevende. Nu ik er nog eens over nadenk: waarom zouden we het gunstig onthaal van het begrip ‘diversiteit’ niet gebruiken om ook op deze fronten een pluriformere universiteit te bevechten?

Ruud Abma is verbonden aan het Descartes College van de Universiteit Utrecht. 

Contact opnemen
Terug