Mei 1968 en de Studentenvakbeweging

Door Ruud Abma

Op 13 mei 1968 begon de Nederlandse Studentenvakbeweging  (SVB) een reeks acties tegen het ‘plan-Maris’. Ir. A.G. Maris, een hoge rijksambtenaar, was voorzitter van een commissie die een nieuwe bestuursvorm voor het hoger onderwijs moest ontwerpen. In haar eindrapport, Zelfstandige taakvervulling van universiteit en hogeschool (feb. 1968), presenteerde de commissie een bestuursmodel dat de universiteiten geschikt moest maken voor de moderne tijd. De beslissingsmacht van de hoogleraren zou overgenomen worden door een presidium van beroepsbestuurders, die alleen aan de minister verantwoording schuldig zouden zijn.

Het rapport-Maris was niet openbaar, maar studenten wisten het in handen te krijgen en gaven in het tegenrapport Universiteit en onderneming (april 1968, oplage 4000!) een kritische analyse van de plannen. De studenten protesteerden tegen de verregaande aanpassing van de universiteit aan de behoeften van het bedrijfsleven, eerst en vooral door het installeren van een centraal bestuursorgaan (het genoemde presidium) dat snelle besluitvorming over onderwijs en onderzoek zou garanderen. Trefwoorden waren: efficiency, kostenverlaging, rendement, flexibiliteit en slagvaardigheid van beleid. De universiteit moest een strak geleide onderneming worden.

Het alternatief van de studenten was de ‘Radenuniversiteit’. In vertegenwoordigende organen (raden) op alle niveaus zouden docenten, studenten en overig personeel gezamenlijk het beleid van de universiteit bepalen. Projectgroepen in alle faculteiten stonden aan de basis en de universiteitsraad vormde het hoogste orgaan. Gekozen bestuurders waren aan de raden verantwoording verschuldigd voor de beleidsuitvoering. Autonomie, openbaarheid, en decentralisatie vormden de belangrijkste uitgangspunten van de Radenuniversiteit.

De studentenacties waren betrekkelijk succesvol: het plan-Maris verdween van tafel. Daarbij zal zeker een rol hebben gespeeld dat de studenten een coalitie hadden gesmeed met leden van de wetenschappelijke staf. Voor het eerst werden binnen de universiteitsgebouwen massavergaderingen gehouden. Stond Nederland aan de vooravond van een studentenopstand, zoals die in Parijs aan de gang was? De autoriteiten waren er niet gerust op. In sommige plaatsen (o.a. Nijmegen en Groningen) overlegden universiteitsbestuurders met vertegenwoordigers van studenten en staf over een vernieuwing van de bestuursstructuur, gericht op het vinden van een werkbare vorm van interne democratie.

Na een jaar van acties, culminerend in de bezetting van het Amsterdamse Maagdenhuis, werd in 1970 de Wet Universitaire Bestuurshervorming (WUB) aangenomen, die door het instellen van universiteitsraad en faculteitsraden de vernieuwingsdrift van de actievoerders poogde te kanaliseren. Maar de roep om efficiency en slagvaardigheid bleef aanhouden en in 1997 werd met de MUB (wet Modernisering Universitaire Bestuursorganisatie) de macht van de genoemde raden drastisch ingeperkt ten gunste van een meer centralistisch en hiërarchisch bestuursmodel.

Ogenschijnlijk zijn universiteiten daardoor goed geoliede machines geworden, met hoge productiecijfers (afgestudeerden en wetenschappelijke papers)Maar achter de façades knarst en kraakt het. De huidige commandostructuur verdraagt zich slecht met het ethos van hoogwaardig academisch werk, waarin ruimte voor zelfstandig denken en open discussie voorop staan. Wat dat betreft staat de kritische analyse in het rapport Universiteit en onderneming nog geheel overeind.

Contact opnemen
Terug