Van groene collectebus naar blauwe envelop

Door Roel Wouters

Enkele maanden geleden kondigde de VU aan de studie Nederlands niet langer te gaan aanbieden. Het aantal eerstejaars was tot een handvol studenten gedaald. Het zal de VU waarschijnlijk niet hebben verbaasd dat dit leidde tot maatschappelijke en politieke ophef. Sluiten van opleidingen levert immers wel vaker commotie op. De (vermeende) symbolische betekenis van het verdwijnen van één van de opleidingen Nederlands uit het Nederlandse universitaire landschap bleef daarbij niet onopgemerkt.

Wat wel grotendeels onopgemerkt bleef, was de ironie over het feit dat nu juist de Vrije Universiteit het middelpunt werd van politieke commotie over universitair beleid. Minister van Engelshoven werd opgeroepen om in te grijpen bij de universiteit die eens werd opgericht door Abraham Kuyper om onafhankelijk te zijn van de overheid. Saillant detail is dat deze oproep mede klonk vanuit een andere Kuyperiaanse erfgenaam, het CDA. Het moge duidelijk zijn: de Vrije Universiteit wordt tegenwoordig al lang niet meer gefinancierd uit groene collectebusjes, maar met blauwe enveloppen.

De minister stelde zich in de beantwoording van de Kamervragen op als beschermer van de universitaire onafhankelijkheid en legde uit dat ze er in het algemeen weinig voor voelt om te voorkomen dat opleidingen moeten sluiten. Deze reactie van de minister kon echter niet voorkomen dat er een storm van kritiek losbarstte naar aanleiding van het gewraakte besluit.

Deze commotie maakt duidelijk hoe wankel het evenwicht is tussen overheid en universiteit. De overheid financiert de vrije keuzes van student en universiteit, maar zodra deze keuzes al te zeer uit de pas lopen met de maatschappelijke behoefte, ontstaat er ophef. Blijkbaar heeft de maatschappij de impliciete verwachting dat de gesubsidieerde vrijheid uiteindelijk ook voldoende aanwas van maatschappelijk essentiële beroepsfunctionarissen oplevert. Maar die impliciete verwachting strookt niet zonder meer met beeld dat aan de universiteit vaak wordt gekoesterd.

Opleidingen benadrukken graag dat ze opleiden tot onderzoeker of algemeen gevormd academicus en niet tot een beroep. Over universitaire opleidingen die naast een onderzoekprofiel ook een vrij sterk beroepsprofiel hebben, wordt niet zelden met dedain gesproken. De realiteit, nu én vroeger, is dat de universiteit niet óf tot onderzoeker óf tot beroep opleidt. Zij levert een diversiteit aan academici door onderwijs dat voor een belangrijk deel is gericht op wetenschappelijke vorming. Het wordt mooi verwoord in de missie van de Harvard Universiteit: “to educate the citizens and citizen-leaders for our society. We do this through our commitment to the transformative power of a liberal arts and sciences education”. In Nederland lijkt het vaak eerder omgekeerd geformuleerd: we leiden onderzoekers op die desondanks op veel plekken buiten het onderzoek een bredere maatschappelijke functie krijgen. Ik bepleit hier niet dat curricula beroepsgerichter moeten worden, integendeel. Maar de universitaire gemeenschap zou er goed aan doen haar toon iets bij te stellen en haar functie ten aanzien van het leveren voor diverse ‘beroepen’ te omarmen.

Die maatschappelijke opdracht van de universiteit komt uiteraard niet alleen voort uit de financiering middels blauwe enveloppen. Het aantrekken van zoveel jong talent uit de samenleving noopt op zichzelf al tot maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het is een groot goed dat de samenleving ook nog het vertrouwen geeft aan de universiteit om in (relatieve) vrijheid te beschikken over zoveel gemeenschapsgeld. De vraag is hoe onaantastbaar die academische vrijheid blijkt als er straks bijvoorbeeld geen (eerstegraads) leraar meer voor de klas staat. Zo bezien zijn de groene collectebusjes van de VU geen nostalgie maar een waarschuwing: gesubsidieerde onafhankelijkheid is niet vanzelfsprekend.

Roel Wouters is basisarts en postdoc onderzoeker

Terug